OVERWEGINGEN
Samenvatting
In deze zaak gaat het om de intrekking en terugvordering van de IOAW-uitkering van appellant. Volgens het college heeft appellant niet gemeld dat hij in deze periode niet zijn hoofdverblijf had op het adres waar hij stond ingeschreven in de Basisregistratie personen (uitkeringsadres). Omdat niet duidelijk is wat de woonsituatie van appellant in deze periode wel was, kan het recht op IOAW-uitkering niet worden vastgesteld. Volgens appellant zijn de intrekking en terugvordering onterecht, omdat hij wel op het uitkeringsadres zijn hoofdverblijf had.
De Raad komt tot het oordeel dat het college voor het grootste deel van de periode terecht heeft geconcludeerd dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde. Over dat deel van de periode heeft het college de IOAW-uitkering dus terecht ingetrokken en teruggevorderd. Voor een klein deel van de periode heeft het college onvoldoende bewijs geleverd. Dit betekent dat het college de IOAW-uitkering over deze periode ten onrechte heeft ingetrokken en de intrekking over deze periode niet in stand kan blijven. Voor de terugvordering heeft dit oordeel geen gevolgen.
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant ontving sinds 1 september 2014 een IOAW-uitkering naar de norm voor een alleenstaande. Appellant staat sinds 13 april 2018 in de Basisregistratie personen ingeschreven op het uitkeringsadres.
Vanwege gerezen twijfels na een vorig onderzoek begin 2018 naar de woon- en leefsituatie van appellant hebben medewerkers Handhaving van Werkplein Activerium Apeldoorn (medewerkers) in 2020 opnieuw een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende IOAW-uitkering. De medewerkers hebben onder meer diverse instanties, waaronder het waterbedrijf Vitens, om inlichtingen verzocht. In de periode van 27 december 2018 tot en met 7 januari 2020 bedroeg het waterverbruik op het uitkeringsadres 2 m³. Verder hebben de medewerkers appellant op 22 januari 2020 gehoord en aansluitend een huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres. Tijdens het huisbezoek hebben de medewerkers de stand van de watermeter opgenomen. Die bedroeg toen 667 m3. In de periode van 8 januari 2020 tot en met 22 januari 2020 bedroeg het waterverbruik 0,5 m³. De bevindingen van het onderzoek staan in een rapport van 30 januari 2020.
Op basis van de resultaten van dit onderzoek heeft het college bij besluit van 11 februari 2020 de IOAW-uitkering met ingang van 27 december 2018 ingetrokken en de over de periode van 27 december 2018 tot en met 31 december 2019 betaalde IOAW-uitkering van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 6.019,12. Bij het bestreden besluit heeft het college het besluit van 11 februari 2020 gehandhaafd. Als reden hiervoor heeft het college gegeven dat appellant vanaf 27 december 2018 niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Door dit niet te melden, heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg van de onduidelijke woonsituatie kan het recht op IOAW-uitkering vanaf 27 december 2018 niet worden vastgesteld.
De uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit om de IOAW-uitkering in te trekken en terug te vorderen in stand heeft gelaten. Hij doet dit aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De intrekking
De te beoordelen periode loopt in dit geval van 27 december 2018, de datum met ingang waarvan de IOAW-uitkering is ingetrokken, tot en met 11 februari 2020, de datum van het intrekkingsbesluit. De Raad ziet gelet op het waterverbruik aanleiding om bij de beoordeling onderscheid te maken tussen twee periodes, namelijk de periode van 27 december 2018 tot en met 7 januari 2020 (periode 1) en de periode van 8 januari 2020 tot en met 11 februari 2020 (periode 2).
Een waterverbruik van maximaal 7 m³ per jaar per huishouden is – ongeacht het aantal personen van een huishouden –extreem laag. Een extreem laag waterverbruik rechtvaardigt de vooronderstelling dat de woning niet wordt bewoond en dat dus de betrokkene niet zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Het is dan aan de betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken. Dit is vaste rechtspraak.
Periode 1
Vaststaat dat het waterverbruik in periode 1, welke periode langer is dan een jaar, extreem laag is. Appellant heeft aangevoerd dat hij een goede verklaring heeft gegeven voor zijn extreem lage waterverbruik. Hij heeft geen wasmachine of vaatwasser en nauwelijks afwas omdat hij weinig eet en maar één keer per week kort doucht. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hiervoor is het volgende van belang.
Uit 4.2 blijkt dat het bij extreem laag waterverbruik aan appellant is om aannemelijk te maken dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Appellant is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat dit, ondanks het zeer lage waterverbruik, in periode 1 het geval is. De stelling dat hij niet beschikt over een wasmachine of vaatwasser, nauwelijks afwas heeft omdat hij weinig eet en slechts eenmaal per week doucht, baat hem niet. Op 23 januari 2020 heeft hij verklaard dat hij gemiddeld vijf tot zes keer per dag naar het toilet gaat. Volgens het Nibud levert het doorspoelen van de wc vijf keer per dag, een verbruik op van 10,2 m³ (365 x 5 x 5,6 liter) per jaar. Eenmaal per week douchen levert een waterverbruik op van 3,4 m³ per jaar. Dit tezamen levert een waterverbruik op van 13,6 m³ per jaar. Ook als appellant in zijn dagelijks leven zeer zuinig met water omgaat, kan daarmee het verbruik van 2 m³ water in de periode van 27 december 2018 tot en met 7 januari 2020 niet worden verklaard.
Appellant heeft ook aangevoerd dat het college uitgebreider onderzoek had moeten doen door de moeder van zijn kinderen te horen en op haar woonadres een huisbezoek af te leggen. Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Uit 4.2 volgt dat het aan appellant is om aannemelijk te maken dat hij in periode 1 zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had.
Uit 4.3 tot en met 4.4 volgt dat het college de IOAW-uitkering over periode 1 terecht heeft ingetrokken en de intrekking over deze periode in stand kan blijven.
Periode 2
Vaststaat dat het waterverbruik over de periode van 8 januari 2020 tot en met 22 januari 2020 0,5 m³ bedroeg. In hoger beroep heeft appellant nadere stukken ingebracht, waaronder een afrekening van Vitens over de periode van 8 januari 2020 tot en met 20 januari 2021. Volgens deze afrekening bedroeg het waterverbruik over deze periode 13 m³. Gelet hierop is over periode 2 niet vast te stellen dat sprake was van extreem laag waterverbruik. Het college heeft ter zitting erkend dat er onvoldoende redenen zijn voor de conclusie dat het waterverbruik in periode 2 extreem laag is geweest en dat er geen andere reden is voor de intrekking van de IOAW-uitkering over deze periode.
Uit 4.6 volgt dat het college de IOAW-uitkering over periode 2 ten onrechte heeft ingetrokken en dat de intrekking over deze periode niet in stand kan blijven. Dit betekent dat over de periode vanaf 8 januari 2020 recht bestaat op IOAW-uitkering.
De terugvordering
Tegen de terugvordering heeft appellant geen afzonderlijke gronden ingediend. Aangezien de terugvordering niet ziet op periode 2, heeft het oordeel over de intrekking over periode 2 geen gevolgen voor de terugvordering. De terugvordering blijft dus in stand.
Conclusie en gevolgen
Uit 4.7 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, omdat de rechtbank het beroep ten onrechte ongegrond heeft verklaard. De Raad zal het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de IOAW-uitkering over periode 2 en het besluit van 11 februari 2020 herroepen voor zover dit betrekking heeft op de intrekking over periode 2 en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit.
5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 1.194,- in bezwaar (2 punten, € 597,- per punt), € 837,- in beroep (1 punt, € 837,- per punt) en € 1.674,- in hoger beroep (2 punten, € 837,- per punt).
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door E.C.G. Okhuizen, in tegenwoordigheid van B. van Dijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2023.
(getekend) E.C.G. Okhuizen
(getekend) B. van Dijk