OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 17 januari 2023 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de in de brief van 8 april 2022 gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
In verzet heeft appellante, samengevat weergegeven, te kennen gegeven dat zij niet in verzuim is geweest. Appellante heeft het griffierecht niet betaald omdat het heffen van griffierecht in strijd is met onder meer artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verder voert appellante onder andere aan dat haar financiƫle gegevens zijn vervalst en verduisterd.
In eerdere uitspraken van de Raad is op deze argumenten uitgebreid gereageerd. De gronden die appellante in verzet aanvoert zijn een herhaling van de argumenten die zij eerder heeft aangevoerd. De Raad heeft in die uitspraken geoordeeld dat de regeling in het bestuursrecht over de mogelijkheden om vrijstelling van betaling van het griffierecht te krijgen van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Er is geen aanleiding om daar thans anders over te denken. Als appellante feitelijk minder inkomen ontvangt dan op papier staat, had het op de weg van appellante gelegen om dat bij de Raad aannemelijk te maken. Verder zijn er geen inkomensgegevens overgelegd waarop de Raad zou kunnen concluderen dat appellante recht had op vrijstelling van het griffierecht. Daarbij had appellante dan wel een beroep op vrijstelling van het griffierecht moeten doen. Dat heeft appellante om haar moverende redenen niet gedaan.
De Raad is van oordeel dat appellante in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat zij niet in verzuim is geweest. Appellante is in de nota van 8 april 2022, waarin zij werd gewezen op het betalen van griffierecht, gewezen op de mogelijkheid om een beroep op betalingsonmacht te doen. Deze mogelijkheid heeft appellante ongebruikt gelaten.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van L. Winters als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2023.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) L. Winters