OVERWEGINGEN
Het oordeel van de Raad
Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
1. De Raad beoordeelt of hij bevoegd is om van het hoger beroep kennis te nemen. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat hij onbevoegd is. De Raad wijst wel toe het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Hoger beroep
2. Appellant heeft in deze procedure op 4 december 2021 verzocht om vrijstelling van de verplichting tot betaling van het griffierecht. Bij brief van 25 januari 2022 heeft de griffier van de Raad dat verzoek (voorlopig) afgewezen. De Raad wijst het verzoek om vrijstelling van betaling van het griffierecht (definitief) af.
3. Met de aangevallen uitspraak heeft de Raad beslist op het verzet van appellant tegen de uitspraak van de Raad van 15 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:343. De aangevallen uitspraak is een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb.
4. Gelet op het bepaalde in artikel 8:104, eerste lid, van de Awb kunnen alleen uitspraken van rechtbanken onderwerp van hoger beroep zijn. De wet voorziet niet in de mogelijkheid van een hoger beroep bij de Raad tegen een uitspraak van de Raad. De rechtspraak over doorbreking van het appèlverbod heeft uitsluitend betrekking op de situaties waarin artikel 8:104, tweede lid, van de Awb bepaalt dat geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen bepaalde uitspraken van de rechtbank. Deze situatie doet zich hier niet voor.
5. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Dit verzoek wordt toegewezen. De behandeling van het hoger beroep mag ten hoogste twee jaar duren. Vanaf de ontvangst door de Raad op 4 mei 2021 van het hoger beroepschrift tot de datum van deze uitspraak is twee jaar en ruim een maand verstreken. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 500,-. De veroordeling komt ten laste van de Staat.
Conclusie en gevolgen
6. De Raad is onbevoegd om van het door appellant ingestelde hoger beroep kennis te nemen. Met toepassing van artikel 8:114, tweede lid, van de Awb zal worden bepaald dat de griffier van de Raad aan appellant het door hem betaalde griffierecht voor het hoger beroep terugbetaalt.
7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat in deze zaak geen aanleiding. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn namelijk in de uitspraak van vandaag, 22/1815 PW vergoed.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van L.G. Cornelissen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2023.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) L.G. Cornelissen