ECLI:NL:CRVB:2023:1391

ECLI:NL:CRVB:2023:1391, Centrale Raad van Beroep, 18-07-2023, 21 / 2712 PW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 18-07-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 21 / 2712 PW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 7 zaken
Aangehaald door 2 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0006358 BWBR0015703

Samenvatting

Terugvordering bijstand. Naderhand verkregen middelen. Erfenis. Fictieve vermogensvaststelling. Geen onderzoek gedaan naar bestaan schulden. Gebrek gepasseerd. Het college heeft het onderzoek beperkt tot een onderzoek naar de erfenis. Het college heeft geen onderzoek gedaan naar de schuldenpositie van appellante. Het college had ook moeten onderzoeken of appellante schulden had op 13 maart 2018, de peildatum. Aanleiding bestaat dit zorgvuldigheidsgebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb te passeren. Ter zitting is komen vast te staan dat appellante op de peildatum geen schulden had.

Uitspraak

Samenvatting

Appellante heeft uit de nalatenschap van haar overleden moeder een bedrag van € 20.007,- ontvangen. Om deze reden vordert het dagelijks bestuur bijstand van appellante terug. Als beroepsgrond heeft appellante aangevoerd dat het onderzoek door het dagelijks bestuur niet zorgvuldig was, omdat het dagelijks bestuur niet heeft onderzocht of zij schulden had. De Raad geeft appellante hierin gelijk. Maar omdat ook in hoger beroep niet is gebleken dat appellante schulden had, blijft de besluitvorming in stand.

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellante ontvangt vanaf 12 maart 2013 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.

Het dagelijks bestuur heeft naar aanleiding van een zogenoemd ‘samenloopsignaal’ van de Belastingdienst onderzoek verricht. Het dagelijks bestuur heeft bankafschriften opgevraagd bij appellante en met appellante gesproken. Hierdoor werd duidelijk dat de moeder van appellante op 13 maart 2018 is overleden en dat appellante een erfenis heeft ontvangen. Op de bankrekening van appellante is op 14 november 2018 een bedrag van € 20.007,- bijgeschreven met als omschrijving ‘erfdeel’.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college reden geweest om met het besluit van 11 mei 2020 de kosten van bijstand over de periode van 13 maart 2018 tot en met 14 november 2018 met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW van appellante terug te vorderen tot een bedrag van € 20.007,-. Na bezwaar heeft het college dit besluit gehandhaafd met het bestreden besluit. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat het door appellante op 14 november 2018 ontvangen bedrag van € 20.007,-, teruggerekend naar 13 maart 2018, het tijdstip waarop de aanspraak op dat bedrag is ontstaan, de toen voor appellante geldende vrijlatingsgrens van € 6.020,- overschreed.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit juist is. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Appellante heeft aangevoerd dat het college geen zorgvuldig vermogensonderzoek heeft gedaan, omdat het college niet heeft onderzocht of appellante schulden had. Deze beroepsgrond slaagt.

Het college heeft het onderzoek beperkt tot een onderzoek naar de erfenis. Het college heeft geen onderzoek gedaan naar de schuldenpositie van appellante. Het college had ook moeten onderzoeken of appellante schulden had op 13 maart 2018, de peildatum. Dit volgt uit vaste rechtspraak.

De Raad ziet aanleiding dit zorgvuldigheidsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren, omdat aannemelijk is dat appellante daardoor niet is benadeeld. Ook als het gebrek zich niet had voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Ter zitting is namelijk komen vast te staan dat appellante op de peildatum geen schulden had.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt, met verbetering van gronden, bevestigd. Dit betekent dat de terugvordering in stand blijft.

5. De toepassing van artikel 6:22 van de Awb vormt aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.674,- in beroep en € 1.674,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 3.348,-. Het college moet ook het door appellante betaalde griffierecht in beroep en in hoger beroep vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

bevestigt de aangevallen uitspraak;

veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.348,-;

bepaalt dat het college het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ter hoogte van € 182,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.M.P. Jacobs als voorzitter en W.F. Claessens en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van M. Ramanand als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2023.

(getekend) K.M.P. Jacobs

(getekend) M. Ramanand

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW

Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kan kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken.

Artikel 6:22 van de Awb

Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JWWB 2023/192
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?