22. 2665 WMO15-PV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van De Bilt van 5 juli 2022 (bestreden besluit)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van De Bilt (college)
Datum uitspraak: 12 juli 2023
Zitting hebben: D. Hardonk-Prins als voorzitter, K.H. Sanders en J.C. Boeree, als leden
Griffier: R.R. Olde Engberink
Ter zitting zijn verschenen: mr. R.S. Pot, advocaat, namens appellante en T. de Vries en T. Wolters voor het college.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Voor de relevante feiten verwijst de Raad naar de uitspraak van 23 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:441. Na deze uitspraak heeft het college (opnieuw) onderzoek laten verrichten door Team MENS. Op basis van dit onderzoek heeft het college het bestreden besluit genomen. Daarin heeft het college het bezwaar van appellante opnieuw ongegrond verklaard. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De beroepsgrond dat ook het (nieuwe) bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd slaagt. Het college is ook na de uitspraak van de Raad van 23 februari 2022 onduidelijk gebleven bij het vaststellen van de hulpvraag en heeft geen steekhoudende antwoorden gegeven op de vraag welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid en participatie van appellante. Ook is geen helderheid verschaft over de vraag in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Het college heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat appellante toereikend is geholpen met haar aanspraak op een pgb ingevolge de Zorgverzekeringswet (Zvw). Zoals ter zitting is bevestigd, kan het college dit standpunt niet onderbouwen. Het college hinkt op twee gedachten, waar ook wordt gesteld dat appellante een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg zou kunnen aanvragen, en als die aanvraag zou worden afgewezen, om uitbreiding van het pgb op grond van de Zvw. Indien het college onder verwijzing naar de Zvw de ‘eigen kracht’ wil tegenwerpen, zal het zo nodig contact moeten zoeken met de zorgverzekeraar ter verkrijging van duidelijkheid over een mogelijke aanspraak op de voorziening, zoals tijdens de vorige zitting is besproken en ook in de uitspraak van de Raad van 31 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1046, is uiteengezet. Dit sluit aan bij de integraliteitsgedachte en de afstemmingsgedachte van de wetgever en komt ook mede tot uitdrukking in artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder f, van de Wmo 2015.
De conclusie is dat het college de gebreken, genoemd in overweging 4.1.2 van de onder 1.1 genoemde uitspraak, niet heeft hersteld.
Dit betekent dat het beroep slaagt en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.
Nu het college voor de tweede maal niet in staat is gebleken een voldoende gemotiveerd besluit te nemen over de aanspraken van appellante, ziet de Raad met het oog op definitieve geschilbeslechting en mede gelet op wat ter zitting is besproken, aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat appellante over de periode in geding in aanmerking komt voor vijf uur individuele begeleiding per week in de vorm van een pgb. De Raad merkt hierbij nadrukkelijk op dat hiermee geen uitspraak is gedaan over welke aanspraak appellante zou hebben gehad als het college voldoende onderzoek had verricht en ook niet over wat haar aanspraken in de toekomst zullen zijn.
3. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante, welke kosten worden begroot op € 1.674,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van de Raad). Het college zal ook aan appellante het in beroep betaalde griffierecht van € 50,- moeten vergoeden.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) R.R. Olde Engberink (getekend) D. Hardonk-Prins