21. 3626 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[verzoeker] , woonachtig in België (verzoeker)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 15 augustus 2023
PROCESVERLOOP
Namens verzoeker heeft drs. F. el Idrissi, juridisch adviseur, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 augustus 2021 (19/4674) en verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Om die reden heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
De Raad heeft het hoger beroep behandeld op een zitting van 4 juli 2023. Ter zitting hebben verzoeker en het college een schikking getroffen en heeft verzoeker het hoger beroep ingetrokken.
OVERWEGINGEN
1. Deze uitspraak ziet uitsluitend op het verzoek van verzoeker om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
2. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren. Doorgaans zal er geen sprake zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase als geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. In beginsel bedraagt de vergoeding € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden.
3. Het bezwaarschrift tegen het besluit van 29 januari 2019 is op 12 maart 2019 door het college ontvangen. Vanaf deze datum tot aan de datum van intrekking van het hoger beroep is meer dan vier jaar verstreken. Er is geen aanleiding om van de onder 2 genoemde termijn af te wijken, zodat de redelijke termijn is overschreden. Omdat de redelijke termijn is overschreden met minder dan zes maanden, komt verzoeker in aanmerking voor een schadevergoeding van € 500,-. Het college heeft op 25 juni 2019 op het bezwaar beslist, zodat van het totale tijdsverloop, de behandeling van het bezwaar minder dan zes maanden heeft geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn alleen in de rechterlijke fase is overschreden. De Staat wordt daarom veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan verzoeker tot een bedrag van € 500,-.
4. Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de proceskosten van verzoeker in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een dergelijk verzoek wordt aangemerkt als licht, zodat de wegingsfactor 0,5 bedraagt. De proceskosten worden begroot op € 418,50 voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een wegingsfactor van 0,5). Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling van het verzoek om schadevergoeding ter zitting bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door E.C.G. Okhuizen als voorzitter en M. ter Brugge en P.J. Huisman als leden, in tegenwoordigheid van F.C. Meershoek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2023.
(getekend) E.C.G. Okhuizen
(getekend) F.C. Meershoek