21. 1304 JW
Datum uitspraak: 23 augustus 2023
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 maart 2021, 19/6325 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.A.E. Bol hoger beroep ingesteld en stukken ingediend.
Mr. M.F. Vermaat, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld en gronden ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2023. Namens appellant zijn verschenen zijn moeder [naam moeder appellant] , bijgestaan door mr. Vermaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Tang.
OVERWEGINGEN
Bij besluit van 23 april 2019 heeft het college aan appellant over de periode 15 april 2019 tot met 14 juli 2019 een voorziening voor jeugdhulp verstrekt voor sociaal en persoonlijk functioneren: midden/intensief en voor opvoeding, versterken mogelijkheid ouders: beperkt/midden in de vorm van een persoonsgebonden budget van € 426,- per week.
Bij besluit van 31 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 april 2019 gegrond verklaard voor zover het de duur betreft en de einddatum bepaald op 12 april 2020.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887) is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden.
Appellant wenst een principiële uitspraak van de Raad over de vraag of het college een voorziening voor jeugdhulp mag toekennen in resultaten in plaats van in uren. Een dergelijk principieel belang leidt, gelet op wat is overwogen in 4.1, op zichzelf beschouwd niet tot aanwezigheid van procesbelang. Appellant ontvangt op dit moment geen voorziening voor jeugdhulp en hij heeft hiertoe ook geen nieuwe aanvraag gedaan. Dat appellant wellicht in de toekomst een verstrekking van een voorziening voor jeugdhulp in uren wil, is een onvoldoende actueel belang. Indien appellant in dat geval een nieuwe aanvraag doet, zal een geheel nieuwe beoordeling moeten worden verricht op basis van de dan aan de orde zijnde situatie en met inachtneming van de op dat moment geldende regelgeving. Verder leidt de Raad uit het hoger beroepschrift af dat appellant in de periode in geding zeven uur informele jeugdhulp wil, te verlenen door zijn moeder. Desgevraagd hebben partijen ter zitting te kennen gegeven dat appellant met het budget dat beschikbaar was voor informele jeugdhulp op basis van het destijds geldende uurtarief 7,67 uur per week aan hulp heeft kunnen inkopen bij zijn moeder. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat appellant procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak.
Uit wat onder 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk is.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J. Brand en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2023.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) L.C. van Bentum