Het geschil
In geschil is of het Uwv de ingangsdatum van de IVA-uitkering terecht heeft vastgesteld op 30 juli 2019, 52 weken voorafgaand aan het verzoek om herbeoordeling van 30 juli 2020.
Toepassing artikel 64 Wet WIA
De Raad heeft in zijn uitspraak van 17 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:959, geoordeeld dat in een situatie als de onderhavige, waarin een werkgever het Uwv verzoekt de arbeidsongeschiktheid van de (ex-)werknemer te beoordelen, artikel 64, elfde en twaalfde lid, van de Wet WIA van toepassing is. Het twaalfde lid gaat over de situatie waarin het recht op uitkering later ontstaat of herleeft of de uitkering wordt verhoogd zonder dat daaraan een aanvraag van de verzekerde ten grondslag ligt, bijvoorbeeld als het Uwv daartoe ambtshalve besluit of bij een verzoek om herbeoordeling door de (ex-)werkgever. Als er geen sprake is van een aanvraag van de verzekerde, wordt in het twaalfde lid geregeld dat het elfde lid van overeenkomstige toepassing is. Daardoor kan de herleving of het later ontstaan van het recht of de verhoging van de uitkering ook in dat geval niet eerder ingaan dan 52 weken voorafgaand aan de dag waarop het Uwv heeft vastgesteld dat daarvan sprake is. Dit betekent voor het onderhavige geval dat het recht op een IVA-uitkering van werkneemster weliswaar op grond van artikel 48 van de Wet WIA in 2016 zou zijn ontstaan, omdat is vastgesteld dat toen duurzame beperkingen zijn aan te nemen voor een deel van de belastbaarheid, maar dat ook in het geval van een verzoek om herbeoordeling door betrokkene als werkgeefster de uitkering vanwege de beperkende werking van artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA niet kan worden toegekend per die datum, tenzij er sprake is van een bijzonder geval.
Is sprake van een bijzonder geval?
Het Uwv heeft terecht geen bijzonder geval aanwezig geacht, op grond waarvan de IVA-uitkering van werkneemster eerder dan 30 juli 2019 zou kunnen ingaan. Hiertoe wordt als volgt overwogen.
Het feit dat de arts van het Uwv in het rapport van 13 april 2015 heeft gemeld dat een medisch heronderzoek aan de orde is per april 2016 is, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, geen omstandigheid die een bijzonder geval oplevert in de zin van artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA. Daarbij is van belang dat op het Uwv geen wettelijke verplichting rust om tot herbeoordeling over te gaan. Verwezen wordt naar de onder 4.3 vermelde uitspraak van de Raad van 17 mei 2023 en de daarin genoemde uitspraak van de Raad van 19 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2258. Daarbij is het onderscheid of een werkgever eigenrisicodrager is voor de Wet WIA dan wel publiek verzekerd bij het Uwv niet relevant. Ook het feit dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 27 januari 2021 heeft geconcludeerd dat in medisch opzicht reeds per 2016 duurzame beperkingen zijn aan te merken voor een deel van de belastbaarheid, maakt niet dat sprake is van een bijzonder geval.
De bewijslast dat sprake is van een bijzonder geval ligt bij de aanvrager of, zoals in dit geval, bij werkgeefster die heeft verzocht om een herbeoordeling. Verwezen wordt naar de uitspraken van 4 augustus 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1758, en 11 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:44. Werkgeefster heeft niet onderbouwd dat zij, wat de verlate aanvraag of verzoek om herbeoordeling betreft, redelijkerwijs gesproken niet kan worden geacht in verzuim te zijn geweest. Van een situatie als omschreven in 4.1.6 is niet gebleken. Daarnaast kan niet worden ingezien dat werkgeefster niet eerder een herbeoordeling heeft kunnen aanvragen.
Uit het voorgaande volgt dat het Uwv de ingangsdatum van de IVA-uitkering van werkneemster terecht heeft vastgesteld op 30 juli 2019.
Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit zal ongegrond worden verklaard.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 11 februari 2021 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin als voorzitter en C. Karman en J.D. Streefkerk als leden, in tegenwoordigheid van N. Zwijnenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 september 2023.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) N. Zwijnenberg