ECLI:NL:CRVB:2023:1904

ECLI:NL:CRVB:2023:1904, Centrale Raad van Beroep, 26-09-2023, 20/4239 PW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 26-09-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20/4239 PW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Beëindiging Bijstand. Geen geldige verblijfstitel meer. College niet gehouden tot nader onderzoek. Het college heeft er terecht op heeft gewezen dat de staatssecretaris heeft vastgesteld dat het rechtmatig verblijf van appellant was geëindigd. Appellant heeft daartegen geen rechtsmiddel heeft aangewend. Het college heeft gelet hierop niet zelfstandig vastgesteld dat appellant geen verblijfsrechtelijke status meer had. Of en in hoeverre appellant medische problemen ondervindt die van belang zijn voor zijn verblijfsrechtelijke status is hier niet relevant. Appellant had dat in een procedure tegen de besluitvorming van de staatssecretaris moeten aanvoeren. Het college hoefde gelet hierop op geen nader onderzoek te doen naar de medische situatie van appellant.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

Samenvatting

Deze zaak gaat over een beëindiging van bijstand met ingang van 5 juli 2020. Het college stelt dat appellant geen geldige verblijfstitel meer heeft en daarom niet langer met een Nederlander gelijk kan worden gesteld als bedoeld in artikel 11 van de PW. Appellant is het daar niet mee eens en voert aan dat de besluitvorming onzorgvuldig is. Ook voert hij aan dat geen aandacht is geschonken aan zijn medische situatie. De beroepsgronden van appellant slagen niet.

Inleiding

Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellant, die de Litouwse nationaliteit heeft en ten tijde in geding in Nederland verbleef, ontving sinds 3 januari 2019 bijstand ingevolge de PW naar de norm van een alleenstaande.

Met een besluit van 5 juni 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (staatssecretaris) de verblijfsstatus van appellant gewijzigd. De staatssecretaris heeft de verblijfscode van appellant met terugwerkende kracht per 1 december 2019 gewijzigd naar code 41. Dit betekent dat appellant als gemeenschapsonderdaan geen recht op bijstand heeft. Het college heeft op 9 juni 2020 een signaal van de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) ontvangen over de gewijzigde verblijfsstatus van appellant.

Met een brief van 9 juni 2020 heeft het college appellant onder meer verzocht om een bewijs in te dienen van een beroepsprocedure tegen het beluit van de staatssecretaris over zijn gewijzigde verblijfsstatus. Aan dit verzoek heeft appellant geen gevolg gegeven. Bij besluit van 25 juni 2020 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 juli 2020 opgeschort en appellant een hersteltermijn geboden om alsnog het gevraagde bewijs in te dienen. Op 3 juli 2020 heeft appellant het college telefonisch meegedeeld dat hij geen rechtsmiddel wil indienen tegen het besluit van staatssecretaris.

Het college heeft daarna de besluiten genomen die al zijn genoemd onder het procesverloop.

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de voorzieningenrechter onder meer overwogen dat uit het dossier blijkt dat de staatssecretaris vóór de besluiten van het college al had beslist over de verblijfstatus van appellant. De gemachtigde van appellant heeft ter zitting verklaard dat appellant besloten heeft om de procedure bij de IND niet door te zetten. Ook heeft de voorzieningenrechter overwogen dat er geen aanleiding voor het college was om nader onderzoek te doen naar de medische situatie van appellant. Appellant heeft pas in bezwaar gesteld dat hij arbeidsongeschikt is, maar hij heeft hiervan geen bewijsstukken overgelegd.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de aangevallen uitspraak niet eens. Daartoe voert hij aan dat de besluitvorming onzorgvuldig is genomen. Appellant stelt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 18 maart 2013, dat het college niet bevoegd was om zelfstandig vast te stellen dat appellant geen verblijfsrecht meer had. Het college had daarover in overleg moeten treden met de staatssecretaris. Verder meent appellant dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de medische situatie van appellant. Het college had appellant hierover moeten horen en relevante informatie moeten verzamelen. Dan was aan het licht gekomen dat appellant medische problemen ondervindt die van belang zijn voor zijn verblijfsrechtelijke status.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de voorzieningenrechter van de rechtbank terecht het in bezwaar gehandhaafde besluit tot beëindiging van de bijstand in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft

Volgens vaste rechtspraak mag de bijstandverlenende instantie uitgaan van de juistheid van de verblijfsrechtelijke informatie, zoals deze wordt verstrekt door de IND. Het is immers de primaire verantwoordelijkheid van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om te beoordelen of vreemdelingen hier te lande rechtmatig verblijven. Het college heeft er terecht op heeft gewezen dat de staatssecretaris bij besluit van 5 juni 2020 heeft vastgesteld dat het rechtmatig verblijf van appellant was geëindigd. Appellant heeft het college meegedeeld dat hij daartegen geen rechtsmiddel heeft aangewend. Het college heeft gelet hierop – anders dan appellant stelt – niet zelfstandig vastgesteld dat appellant geen verblijfsrechtelijke status meer had.

De rechtbank is – anders dan appellant aanvoert – niet voorbijgegaan aan de medische situatie van appellant. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant zijn standpunt in zoverre niet heeft onderbouwd. Of en in hoeverre appellant medische problemen ondervindt die van belang zijn voor zijn verblijfsrechtelijke status is hier echter niet relevant. Appellant had dat in een procedure tegen de besluitvorming van de staatssecretaris moeten aanvoeren. Het college hoefde gelet hierop op geen nader onderzoek te doen naar de medische situatie van appellant.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de bijstand van appellant per 5 juli 2020 in stand blijft.

5. Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van M.V. Kamphuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 september 2023.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) M.V. Kamphuis

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl USZ 2023/307
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?