OVERWEGINGEN
Samenvatting
In deze uitspraak bevestigt de Raad dat de Svb afwijzend mocht beslissen op het verzoek van appellant om hem vanaf zijn 65ste verjaardag een ouderdomspensioen of een overbruggingsuitkering toe te kennen. Wat appellant heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat hij onevenredig zwaar is getroffen door toepassing van artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de weigering om hem een financiële compensatie te bieden voor de verhoging van de voor hem geldende pensioengerechtigde leeftijd.
Inleiding
1. De volgende feiten en omstandigheden zijn van belang.
Appellant is geboren op [geboortedatum] 1954.
Bij besluit van 6 april 2020 heeft de Svb afwijzend beslist op het verzoek van appellant om hem vanaf zijn 65ste verjaardag een ouderdomspensioen toe te kennen op grond van de AOW.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 april 2020. Dit bezwaar heeft de Svb bij besluit van 23 september 2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is verwezen naar artikel 7a van de AOW. Verder is in aanmerking genomen dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR) en dat niet is gebleken dat appellant als gevolg van de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd en de weigering van een overbruggingsuitkering een onevenredig zware last moet dragen.
De uitspraak van de rechtbank
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer in aanmerking genomen dat de financiële situatie van appellant niet is veranderd door de verhoging van de voor hem geldende pensioengerechtigde leeftijd, omdat appellant zowel voorafgaand aan zijn 65ste verjaardag als direct na zijn 65ste verjaardag een periode geen inkomen of vermogen had. Hij werd sinds 2017 onderhouden door familie en vrienden. Voorts verbleef appellant een deel van de te overbruggen periode, vanaf 28 januari 2020, in Nederland maar heeft hij geen bijstandsuitkering aangevraagd.
Standpunten in hoger beroep
Appellant heeft de Raad verzocht om de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit te vernietigen en om de Svb opdracht te geven om hem te compenseren voor de vermindering van zijn recht op ouderdomspensioen die het gevolg is van toepassing van artikel 7a van de AOW. Daartoe is evenals in beroep het standpunt ingenomen dat onverkorte toepassing van artikel 7a van de AOW in dit geval niet verenigbaar is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Eerste Protocol). Appellant heeft er daarbij op gewezen dat hij ten tijde van belang wegens een langdurig verblijf in Indonesië en uitschrijving uit de Basis Registratie Personen niet in aanmerking kwam voor een bijstandsuitkering en dat hij werd onderhouden door familie en vrienden.
De Svb heeft de Raad verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Verder heeft de Svb te kennen gegeven dat inmiddels een ouderdomspensioen aan appellant is toegekend vanaf de dag waarop hij de ingevolge artikel 7a van de AOW voor hem geldende pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Tegen dat besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.
Het oordeel van de Raad
4. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft de beroepsgronden gewogen en daarover een gemotiveerd oordeel gegeven. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en, op hoofdlijnen, de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Gelet op vaste rechtspraak heeft de rechtbank bij de beantwoording van de vraag of in de situatie van appellant sprake is van een onevenredig zware last terecht in aanmerking genomen dat de financiële situatie van appellant niet is veranderd door de verhoging van de voor hem geldende pensioengerechtigde leeftijd. Niet is aannemelijk geworden dat er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan valt aan te nemen dat het feit dat appellant ten tijde van belang geen inkomen of vermogen had en werd onderhouden door familie en vrienden ertoe heeft geleid dat er voor appellant een onevenredig zware last is ontstaan. Deze situatie bestond al sinds 2017.
Conclusie en gevolgen
5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
Proceskosten en griffierecht
6. Appellant krijgt geen vergoeding voor zijn proceskosten. Ook krijgt hij het door hem betaalde griffierecht niet terug.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van E.P.J.M. Claerhoudt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2023.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen ingezetene en verzekerde.