Het oordeel van de Raad
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten.
Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Vaststaat dat appellant in de periode van 1 januari 2020 tot en met 1 juli 2021 bijschrijvingen op zijn bankrekening heeft ontvangen van X.
De Raad stelt onder verwijzing naar de regiebrief vast dat in hoger beroep alleen in geschil is of het college de bijschrijvingen van X terecht als inkomen heeft aangemerkt en in mindering heeft gebracht op de bijstand.
Bedragen die zijn overgemaakt door derden naar een bankrekening van een bijstandontvanger worden in beginsel beschouwd als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Participatiewet (PW). Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben is het inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW als zij door de betrokkene kunnen worden gebruikt voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan. Dit is vaste rechtspraak.
De stelling dat het gaat om geleende bedragen die moeten worden terugbetaald, leidt niet tot een ander oordeel. Een geldlening is in artikel 31, tweede lid, van de PW niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Zoals hiervoor vermeld worden periodieke betalingen van derden aan een betrokkene als inkomen aangemerkt als hij daarover vrij kan beschikken. De vorm van die betalingen maakt geen verschil. Dit volgt uit vaste rechtspraak. Dat bij een lening de schuldenlast van de betrokkene toeneemt, is in dit verband niet van belang.
Voor degene die geen of onvoldoende inkomsten heeft om in de kosten van het levensonderhoud te voorzien en daarvoor is aangewezen op het aangaan van geldleningen, geldt het voorgaande niet onverkort. Het gaat hierbij om degene die geen bijstand ontvangt, bijvoorbeeld doordat hij in afwachting is van een besluit op zijn aanvraag om algemene bijstand of doordat de uitbetaling ervan de bijstand is geblokkeerd of het recht erop is opgeschort. Dit is vaste rechtspraak. Maar deze situatie doet zich hier niet voor.
Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het college de bijschrijvingen van X terecht als inkomen op de bijstand van appellant in mindering heeft gebracht.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Dit betekent dat de herziening en terugvordering van de bijstand in stand blijven.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Appellant krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal, in tegenwoordigheid van M. Zwart als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2023.
(getekend) E.C.E. Marechal
(getekend) M. Zwart