ECLI:NL:CRVB:2023:2113

ECLI:NL:CRVB:2023:2113, Centrale Raad van Beroep, 09-11-2023, 22/1671 WAJONG

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 09-11-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/1671 WAJONG
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 3 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0008657

Samenvatting

Het verzoek van appellant bij brief van 15 oktober 2020 om hem voorafgaand aan 2010 een Wajong-uitkering toe te kennen, heeft het Uwv opgevat als verzoek om terug te komen van het besluit van 12 augustus 2010 (toekenning Wajong-uitkering per 5 oktober 2010) en dit verzoek afgewezen. Geen sprake van nieuw gebleken feiten of omstandigheden. Het bestreden besluit is niet evident onredelijk.

Uitspraak

22 1671 WAJONG

Datum uitspraak: 9 november 2023

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 28 april 2022, 21/1309 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en appellant heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2023. Namens appellant is zijn gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J. Langius.

OVERWEGINGEN

Appellant, geboren op [geboortedatum] 1989, heeft op 15 juni 2010 een aanvraag ingediend op

grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong). Bij besluit van 12 augustus 2010 heeft het Uwv appellant met ingang van 5 oktober 2010 een Wajonguitkering toegekend, gebaseerd op de zogenoemde werkregeling. Daarbij is vastgesteld dat appellant geen benutbare mogelijkheden heeft, maar dat deze situatie niet duurzaam is.

Bij brief van 15 oktober 2020 heeft appellant verzocht om hem ook voorafgaand aan

2010 een Wajong-uitkering toe te kennen. Het Uwv heeft dit opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 12 augustus 2010 en dit verzoek afgewezen bij besluit van 20 oktober 2020. Het door appellant hiertegen gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 5 februari 2021 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Volgens het Uwv is geen sprake van nieuw gebleken feiten of omstandigheden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het

bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant met zijn herzieningsverzoek wil bereiken dat het Uwv terugkomt van de ingangsdatum van de Wajong-uitkering en dat deze uitkering ingaat per 15 juni 2010. Dat het Uwv dit verzoek inhoudelijk heeft beoordeeld volgt de rechtbank niet. Weliswaar vermeldt het besluit van 20 oktober 2020 niet het wettelijk kader, maar uit de motivering van dit besluit en het bestreden besluit volgt dat het Uwv alleen een beoordeling heeft gedaan op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden. Appellant heeft op geen enkel moment nieuwe (medische) feiten of veranderde omstandigheden vermeld, laat staan dat hij dat met stukken heeft onderbouwd. Het Uwv was dan ook bevoegd om het verzoek om terug te komen van het besluit van 12 augustus 2010 af te wijzen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij destijds niet in staat was om tegen het besluit van 12 augustus 2010 bezwaar te maken. Voor het Uwv moet duidelijk zijn geweest dat appellant op de datum van de Wajong-aanvraag al duurzaam en volledig arbeidsongeschikt was en meteen een uitkering had moeten krijgen in plaats van na zestien weken. De rechtbank heeft miskend dat het primaire besluit een inhoudelijk besluit bevat en niet is gebaseerd is op artikel 4:6 van de Awb. Het Uwv had niet voor het eerst in bezwaar artikel 4:6 van de Awb mogen toepassen. Verder stelt appellant dat het bestreden besluit evident onredelijk is. De motivering van de verzekeringsarts over de duurzaamheid is niet toegespitst op de specifieke situatie van appellant en verzuimd is in te gaan op toekomstige verbeteringsmogelijkheden van appellant. Volgens appellant was verbetering van de belastbaarheid niet of nauwelijks te verwachten.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De gemachtigde van appellant heeft ter zitting verklaard dat appellant beoogt een Wajong-uitkering te krijgen vanaf 15 juni 2010 (in plaats van vanaf 5 oktober 2010). Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat van een inhoudelijk primair besluit geen sprake was en dat het Uwv ook in besluit van 20 oktober 2020 toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht. De hieraan ten grondslag liggende overwegingen worden onderschreven.

De Raad voegt daaraan toe dat geen rekening wordt gehouden met het in hoger beroep overgelegde behandeloverzicht van GGNet Volwassenen. Nieuwe feiten of omstandigheden dienen namelijk uiterlijk in de bezwaarfase naar voren zijn gebracht en daarvan is hier dus geen sprake.

In wat appellant heeft aangevoerd heeft de rechtbank voorts terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Van een onmiskenbaar onjuist besluit is geen sprake. Het Uwv mocht het herzieningsverzoek daarom afwijzen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.R. van der Velde, in tegenwoordigheid van N. ter Heerdt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 november 2023.

(getekend) W.R. van der Velde

(getekend) N. ter Heerdt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?