Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als schoonmaakster voor 31,25 uur per week. Op 18 april 2019 heeft zij zich ziekgemeld met lichamelijke en psychische klachten. Nadat appellante een aanvraag om een WIA-uitkering had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 25 februari 2021. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 19 maart 2021 geweigerd appellante met ingang van 15 april 2021 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
In de bezwaarfase hebben een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderzoek gedaan en rapporten opgesteld. Het Uwv heeft op basis hiervan geen aanleiding gezien voor wijziging van zijn standpunt.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is het medische onderzoek van het Uwv voldoende zorgvuldig geweest. De rechtbank heeft onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad geoordeeld dat de situatie waarin een geregistreerd verzekeringsarts een rapport beoordeelt van een niet als verzekeringsarts geregistreerd arts, opgemaakt na een spreekuurcontact door deze niet als verzekeringsarts geregistreerde arts en waarbij de geregistreerde verzekeringsarts de beschikking heeft over het gehele dossier en het rapport vervolgens medeondertekent, een voldoende zorgvuldige handelwijze is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens deugdelijk gemotiveerd dat kon worden afgezien van een spreekuurcontact met een geregistreerd verzekeringsarts. Uit de in bezwaar overgelegde informatie is geen evident ander medisch beeld te herleiden dat door de primaire arts is beschreven. De primaire arts heeft volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep een uitgebreid en volledig medisch onderzoek verricht waarbij de informatie uit de behandelend sector is betrokken. De bevindingen van de primaire arts komen bovendien overeen met die uit de behandelend sector. De klachten en belemmeringen zijn uitgebreid beschreven en in bezwaar zijn geen andere klachten of belemmeringen beschreven of medische gegevens ingebracht waaruit kan worden afgeleid dat de primaire arts iets zou hebben gemist. De rechtbank kan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen dat een nieuw psychisch en lichamelijk onderzoek geen nieuwe inzichten kon opleveren voor de vraag of een urenbeperking zou moeten worden aangenomen. Die vraag kon op grond van de voorhanden medische informatie worden beantwoord. De rechtbank heeft verder geen aanleiding gezien om de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. In de FML is rekening gehouden met de rug- en schouderklachten nu er beperkingen zijn opgenomen ten aanzien van zwaar fysieke arbeid. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is er voorts geen sprake van een zodanig ernstige aandoening die leidt tot een verminderd basaal energetisch vermogen of een energetische stoornis die in onvoldoende mate gecompenseerd kan worden door het aangeven van fysieke en psychische beperkingen. Ook is geen sprake van verminderde belastbaarheid door tijdsbeslag of therapie of aanleiding om een urenbeperking aan te nemen op grond van een preventieve indicatie. Uitgaande van de juistheid van de bij appellante vastgestelde beperkingen, heeft de rechtbank ook geen aanleiding gezien om twijfelen aan de passendheid van de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep aan de schatting ten grondslag gelegde functies.
Het hoger beroep van appellante
3. Appellante is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat appellante hiertegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit om de WIA-uitkering te weigeren in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
Appellante heeft aangevoerd dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is verricht omdat zij niet is onderzocht door een verzekeringsarts en is afgezien van een spreekuurcontact. Daarnaast heeft het Uwv volgens appellante onvoldoende rekening gehouden met haar klachten en beperkingen. Appellante heeft gesteld dat zij nog frequent last heeft van hoofdpijn, duizeligheid en pijn in de schouder en nek. Ter onderbouwing heeft appellante verwezen naar informatie van de radioloog en neuroloog. Ook heeft zij als gevolg van slaapproblemen energetische beperkingen op grond waarvan de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgens appellante een urenbeperking had moeten aannemen.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank over de zorgvuldigheid en de volledigheid van het medisch onderzoek. De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van haar gronden in beroep. Deze gronden zijn door de rechtbank voldoende besproken en de Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank. Daarbij wordt benadrukt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 11 oktober 2022 op een inzichtelijke en navolgbare wijze uiteen heeft gezet dat geen aanleiding bestond om appellante opnieuw voor een medisch onderzoek op te roepen bij een geregistreerd verzekeringsarts omdat het medisch beeld duidelijk was. De in beroep overgelegde medische informatie is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de beoordeling betrokken en daarin zijn geen nieuwe klachten en diagnosen beschreven die niet al zijn meegewogen bij de beoordeling van de belastbaarheid van appellante per datum in geding, 15 april 2021. Ook heeft appellante in hoger beroep geen medische informatie overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt dat het Uwv onvoldoende rekening zou hebben gehouden met haar klachten en beperkingen. Dit betekent dat geen aanleiding bestaat om de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden.
Arbeidskundige beoordeling
Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn.
Conclusie en gevolgen
5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Appellante krijgt daarom geen vergoeding voor haar proceskosten. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van A.M. Korver als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2023.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) A.M. Korver