OVERWEGINGEN
Samenvatting
In deze zaak gaat het om de afwijzing van de aanvraag van appellante voor bijzondere bijstand voor de kosten van het beheer van een pgb. Het college heeft de aanvraag afgewezen op de grond dat geen sprake is van noodzakelijke kosten. Appellante had gebruik kunnen maken van zorg in natura (ZIN). Appellante is het daar niet mee eens. Zij moest snel verhuizen en vanwege de lange wachtlijst kon zij niet terecht op een plek met ZIN. De Raad geeft appellante geen gelijk.
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante woonde eerst in de gemeente [gemeente] en ontving ZIN. Op 28 september 2020 is appellante verhuisd naar een woning met begeleid wonen via de [naam groep] in [woonplaats] . De door de [naam groep] verleende zorg wordt bekostigd uit een pgb. Dit pgb is op 24 november 2020 met ingang van 28 september 2020 aan appellante toegekend.
Appellante ontvangt een basisbeurs en aanvullende beurs op grond van de Wet studiefinanciering. Bij beschikking van 10 juli 2019 is een bewind ingesteld over het vermogen van appellante. Bij besluit van 25 november 2019 heeft het college voor de periode van 17 oktober 2019 tot en met 16 oktober 2024 aan appellante bijzondere bijstand toegekend voor de maandelijkse kosten van bewindvoering. Bij beschikking van de kantonrechter van 23 juni 2020 is de bewindvoerder ontslagen en is met ingang van 1 juli 2020 een andere bewindvoerder benoemd.
Op 8 juli 2020 heeft de bewindvoerder, voor zover hier relevant, bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van het beheer van het pgb van appellante.
Bij besluit van 8 september 2020, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 januari 2021 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van beheer van het pgb van appellante afgewezen. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat de kosten voor het beheer van het pgb niet noodzakelijk waren. Dat er geen andere plekken beschikbaar waren, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit om de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van het beheer van een pgb in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW moet eerst beoordeeld worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte moet de vraag worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
Niet in geschil is dat de kosten zich voordoen. In geschil is alleen of de kosten noodzakelijk zijn.
Degene die een aanvraag doet om bijzondere bijstand moet aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van die bijstand. Dit is vaste rechtspraak.
Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat zij snel moest verhuizen en vanwege de lange wachtlijst niet terecht kon op een plek met ZIN. Zij had dan ook geen andere keuze dan te verhuizen naar een woning van de [naam groep], waardoor zij was aangewezen op zorg in de vorm van een pgb. Anders dan in de uitspraak van de Raad van 20 oktober 2020, was het voor appellante geen vrijwillige keuze. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de keuze van appellante voor zorg in de vorm van een pgb als niet noodzakelijk moet worden aangemerkt. Niet is gebleken dat appellante onderzoek heeft gedaan naar andere oplossingsmogelijkheden dan ondersteuning in de vorm van een pgb in plaats van ZIN. Dit had wel op haar weg gelegen. Zij heeft haar stelling dat zij snel een goede plek nodig had en dat een ZIN plek niet beschikbaar was niet onderbouwd. Appellante heeft niet duidelijk gemaakt welke concrete pogingen zij heeft ondernomen om zorg in de vorm van ZIN te verkrijgen bij andere instellingen en wat daarvan de resultaten zijn geweest. In die zin verschilt de situatie van appellante niet van de situatie die zich voordeed in de uitspraak van de Raad van 20 oktober 2020.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.
5. Appellante krijgt daarom geen vergoeding voor haar proceskosten. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.M.P. Jacobs, in tegenwoordigheid van N. van der Horn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2023.
(getekend) K.M.P. Jacobs
(getekend) N. van der Horn
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke (wettelijke) regels
Participatiewet
Artikel 35
1. Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36, de studietoeslag, bedoeld in artikel 36b, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.