ECLI:NL:CRVB:2023:23

ECLI:NL:CRVB:2023:23, Centrale Raad van Beroep, 10-01-2023, 20 / 4086 PW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 10-01-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20 / 4086 PW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 2 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Bij brief van 26 september 2022 heeft het dagelijks bestuur zich op het nadere standpunt gesteld dat ten onrechte is overgegaan tot het intrekken van het recht op bijstand over de periode van 1 mei 2019 tot 1 augustus 2019 en dat daarmee ook de grondslag voor een terugvordering en het opleggen van een boete is komen te ontvallen.

Uitspraak

20 4086 PW, 21/696 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verband met de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 16 oktober 2020, 20/3764 (aangevallen uitspraak 1) en van 19 februari 2021, 20/5133 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling Avres (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 10 januari 2023

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft N. van der Laan hoger beroepen ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft verweerschriften ingediend.

De Raad heeft bij brief van 25 augustus 2022 (regiebrief) het dagelijks bestuur verzocht om zijn standpunt dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden toe te lichten. Bij brief van 26 september 2022 heeft het dagelijks bestuur gereageerd op de regiebrief.

Partijen hebben nadere zienswijzen ingediend.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 16 september 2019 (intrekkingsbesluit) heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellant ingetrokken vanaf 1 mei 2019. Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 7 oktober 2019 (terugvorderingsbesluit), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 juni 2020 (bestreden besluit 1) heeft het dagelijks bestuur de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 mei 2019 tot en met 31 juli 2019 van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 2.603,72.

Bij besluit van 3 december 2019 (boetebesluit), zoals na bezwaar gewijzigd bij besluit van 24 augustus 2020 (bestreden besluit 2) heeft het dagelijks bestuur appellant een boete opgelegd van € 618,24.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Bij brief van 26 september 2022 heeft het dagelijks bestuur zich op het nadere standpunt gesteld dat ten onrechte is overgegaan tot het intrekken van het recht op bijstand over de periode van 1 mei 2019 tot 1 augustus 2019 en dat daarmee ook de grondslag voor een terugvordering en het opleggen van een boete is komen te ontvallen.

Gelet op 4.1 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellant ten onrechte teruggevorderd en ten onrechte een boete opgelegd. De Raad zal de beroepen gegrond verklaren en de bestreden besluiten vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De Raad zal het terugvorderingsbesluit en het boetebesluit herroepen. Gelet hierop is het niet nodig om de beroepsgronden te bespreken.

Het hoger beroep is kennelijk gegrond, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist. De Raad zal geen zitting houden in deze zaken, omdat dit niet kan leiden tot een ander oordeel.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraken;

- verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de besluiten van 8 juni 2020 en 24 augustus 2020;

- herroept de besluiten van 7 oktober 2019 en 3 december 2019 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de besluiten van 8 juni 2020 en 24 augustus 2020;

- bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellant de in beroep en in hoger beroep betaalde griffierechten van in totaal € 361,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van L.G. Cornelissen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2023.

(getekend) M. Hillen

(getekend) L.G. Cornelissen

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?