OVERWEGINGEN
1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Verzoekster heeft aan haar wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat uit het verloop van de zitting van 2 oktober 2023 blijkt dat sprake is van vooringenomenheid van de behandelend rechter. Verzoekster voert hiertoe het volgende aan. De behandelend rechter was onvoldoende voorbereid op de behandeling ter zitting. Ook heeft de gemachtigde van verzoekster op geen enkele manier de kans gekregen om verzoeken helder en duidelijk toe te lichten. Wanneer gemachtigde iets wilde zeggen dat in de ogen van de behandelend rechter geen betrekking had op het herzieningsverzoek werd hij door de behandelend rechter onderbroken.
3. De Raad komt tot het oordeel dat hetgeen verzoekster heeft aangevoerd geen blijk geeft van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt.
Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
Het proces-verbaal van de op 2 oktober 2023 gehouden zitting bevat geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de behandelend rechter onvoldoende was voorbereid op de behandeling ter zitting. Dat de behandelend rechter niet op de hoogte was van alle andere lopende zaken van verzoekster, kon bij verzoekster niet de objectief gerechtvaardigde vrees oproepen dat de rechter jegens haar vooringenomen was, en betekent overigens ook niet dat de rechter zich onvoldoende had voorbereid op de ter beoordeling voorliggende zaak.
Het proces-verbaal geeft evenmin aanleiding om te concluderen dat de gemachtigde onvoldoende de kans heeft gekregen om de standpunten van verzoekster toe te lichten. Uit dit proces-verbaal blijkt juist dat de gemachtigde uitgebreid het woord heeft kunnen voeren en dat de behandelend rechter hem in de gelegenheid heeft gesteld de stellingen van verzoekster toe te lichten. Dat de behandelend rechter hierbij de gemachtigde kritisch de vraag heeft voorgehouden of sprake is van feiten en omstandigheden op basis waarvan volgens de wet een verzoek om herziening kan worden toegewezen, vormt geen aanwijzing voor vooringenomenheid.
4. Uit 3.1 tot en met 3.3 volgt dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.
Deze beslissing is gegeven door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en J.J.T. van den Corput en J.J. Janssen als leden, in tegenwoordigheid van E.P.J.M. Claerhoudt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2023.
De griffier. De voorzitter.
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum