21 2414 WAJONG
Datum uitspraak: 13 december 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 mei 2021, 20/2905 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. Goedhart, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Goedhart. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.
Het onderzoek is na deze zitting heropend.
Bij brief van 10 februari 2023 heeft het Uwv gereageerd op vragen van de Raad. Appellante heeft bij brief van 27 maart 2023 een reactie en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft vervolgens nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 10 november 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Goedhart. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Sluijs.
OVERWEGINGEN
Appellante, geboren op [Geboortedatum] 1988, is in 2007 begonnen met de studie Nederlandse Taal en Cultuur en heeft in februari 2018 haar bachelor afgerond. Zij heeft met een door het Uwv op 30 april 2019 ontvangen formulier een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Bij de aanvraag is informatie gevoegd van een huisarts, een internist en een psycholoog. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 26 augustus 2019 heeft het Uwv de aanvraag van appellante afgewezen.
Bij besluit van 9 april 2020 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 26 augustus 2019 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij voldoet aan de voorwaarden voor een Wajong-uitkering. De beroepsgronden van appellante zullen hieronder worden besproken.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
Op grond van het tweede lid wordt de ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onder a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, alsnog jonggehandicapte, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.
Op grond van het derde lid wordt alsnog jonggehandicapte de ingezetene die tijdelijk geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien hij gedurende een tijdvak van tien jaar volgend op de dag waarop hij jonggehandicapte zou zijn geworden op grond van het eerste lid, onderdeel a of b, of het tweede lid, indien hij duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zou hebben gehad, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had.
Op grond van het vierde lid wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht het besluit van het Uwv om appellante een Wajong-uitkering te weigeren in stand heeft gelaten.
Onder verwijzing naar verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten heeft het Uwv in hoger beroep uiteengezet dat appellante op de dag dat zij achttien werd klachten had als gevolg van ziekte of gebrek. Door psychische problemen en een aangeboren lichamelijke aandoening was appellante beperkt voor werk met deadlines/productiepieken, een hoog handelingstempo, directe conflicthantering, leidinggeven, lopen, tillen en dragen en kon zij geen solitair werk doen. Zij is met inachtneming van deze beperkingen in staat geacht gedurende vier uur per dag één uur aaneengesloten de taak ‘invoeren gegevens’ te verrichten en had dus mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen). De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 26 augustus 2019 beschreven dat het arbeidsvermogen bij appellante na een opname vanaf 5 juli 2018 gedurende een langere, aaneengesloten periode is komen te ontbreken. Deze verzekeringsarts heeft daarbij het standpunt ingenomen dat aan het ontbreken van arbeidsvermogen geen andere ziekteoorzaak ten grondslag lag dan de psychische klachten waarmee appellante al op haar achttiende bekend was. Het Uwv heeft hieruit de conclusie getrokken dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 1a:1, eerste lid, onder a, en b, van de Wajong, noch aan de voorwaarden van artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong, en daarom niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering.
Appellante heeft daar tegenin gebracht dat bij haar het arbeidsvermogen duurzaam is komen te ontbreken door een nieuwe ziekteoorzaak, die is ontstaan tijdens haar studie. Op haar achttiende speelden psychische klachten, maar op 24 november 2017 is voor het eerst de diagnose neurasthenie/surmenage gesteld. De daarmee verband houdende klachten zijn volgens appellante aanleiding geweest voor de opname in een zorginstelling op 5 juli 2018, zodat sprake is van een andere ziekteoorzaak. Appellante heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar een overgelegd huisartsenjournaal en een brief van een GZpsycholoog.
In een aanvullend rapport van 21 april 2023 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd uiteengezet dat de door appellante genoemde diagnose niet los gezien kan worden van de al langer bij appellante aanwezige psychische problematiek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij de beschikbare medische informatie betrokken.
In wat appellante naar voren heeft gebracht zijn geen aanknopingspunten te vinden om te twijfelen aan het standpunt van het Uwv dat het arbeidsvermogen van appellante als gevolg van beperkingen die zij al op haar achttiende verjaardag ondervond, door een toename daarvan is komen te ontbreken vanaf 5 juli 2018. Dit verlies van arbeidsvermogen heeft zich voorgedaan na de periode van vijf jaar, zoals bedoeld in artikel 1a, tweede lid, van de Wajong. Gelet hierop kan de vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen tevens duurzaam is hier verder onbeantwoord blijven.
Dit betekent dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante geen recht heeft op een Wajong-uitkering.
De Raad stelt vast dat het Uwv pas in hoger beroep het bestreden besluit van een toereikende motivering heeft voorzien. Appellante heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat zij voldoende in de gelegenheid is gesteld om te reageren op de gewijzigde motivering van het Uwv. De Raad zal het motiveringsgebrek in het bestreden besluit passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aangezien aannemelijk is dat appellante hierdoor niet is benadeeld. Ook als het gebrek in het bestreden besluit zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. De toepassing van artikel 6:22 van de Awb geeft wel aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor verleende rechtsbijstand begroot op € 2.092,50 in beroep (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor een nadere reactie met een waarde van € 837,- per punt) en € 2.511,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor een nadere reactie en 0,5 punt voor het verschijnen op een nadere zitting, met een waarde van € 837,- per punt), in totaal € 4.603,50. Verder dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 4.603,50;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van
€ 182,- vergoedt;
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van M. Ramanand als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2023.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) M. Ramanand