Samenvatting
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering van appellante heeft beëindigd. Omdat bij de Raad twijfel bestond over de juistheid van het besluit van het Uwv, heeft de Raad een deskundige benoemd. Naar aanleiding van het rapport van de deskundige heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies nog steeds passend zijn en dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% is. De Raad volgt dit standpunt en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht de WIA-uitkering heeft beëindigd.
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante was werkzaam als nachtwacht. Zij is op 29 maart 2011 uitgevallen. Na voltooiing van de wachttijd heeft het Uwv aan appellante een WIA-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 57,43%. Op 11 april 2017 heeft appellante zich met toegenomen klachten gemeld bij het Uwv. Een verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante op dat moment geen benutbare mogelijkheden had. Bij besluit van 5 juli 2017 is de uitkering van appellante gewijzigd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%.
Op 4 maart 2019 heeft de ex-werkgever van appellante bij het Uwv een verzoek om herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid ingediend. Bij besluit van 29 april 2019 heeft het Uwv de uitkering van appellante ongewijzigd gelaten waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid op 100% is bepaald.
De ex-werkgever van appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 29 april 2019. Bij besluit van 2 april 2020 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard. Hierbij is het primaire besluit herroepen en is beslist dat appellante geen WIAuitkering meer krijgt omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de nieuwe FML van 4 april 2020 de beperking op punt 1.9.3 (constante werkbegeleiding) geschrapt. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vier functies geduid en aan de hand van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante 32,37% arbeidsongeschikt is.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 21 februari 2020 afdoende heeft gemotiveerd waarom de beperking op 1.9.3 in de FML is geschrapt. Ook is overwogen dat appellante niet voldoet aan de criteria voor volledige arbeidsongeschiktheid en daarom zijn de punten 1.1 tot en met 1.8 van de FML niet van toepassing. Deze punten zien op ernstig disfunctioneren en ontbrekende zelfredzaamheid in de thuissituatie, waarvan bij appellante geen sprake is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder gemotiveerd toegelicht dat geen zwaardere beperkingen in de FML worden opgenomen, omdat de al opgenomen beperkingen rekening houden met de klachten van appellante en andere klachten niet medisch objectiveerbaar zijn. Appellante heeft een rapport van 22 september 2020 van verzekeringsarts dr. W.E.L. de Boer in geding gebracht. Hieruit blijkt naar de mening van appellante dat zij meer beperkingen heeft op de punten 1.9.3, 1.9.4, 2.12.4 en 3.7. De rechtbank heeft appellante niet gevolgd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 5 februari 2021 inzichtelijk gemotiveerd waarom de zwaardere beperkingen niet worden overgenomen. De situaties waarin de extra beperkingen gelden, zijn niet van toepassing op appellantes situatie. Omdat de functionele mogelijkheden van appellante correct zijn vastgesteld ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellante overschrijdt.
Het hoger beroep van appellante
3. Appellante is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de belastbaarheid van appellante juist is vastgesteld. Verschillende verzekeringsartsen komen tot verschillende conclusies terwijl ze gebaseerd zijn op dezelfde informatie en medische stukken.
Het oordeel van de Raad
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit om de WIA-uitkering te weigeren in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
De Raad heeft, omdat twijfel was ontstaan over de juistheid van de medische beoordeling, aanleiding gezien een psychiater als deskundige te benoemen. De deskundige is tot de conclusie gekomen dat appellante, naast de al in de FML opgenomen beperkingen, ook beperkt is op 1.9.4 (aangewezen zijn op werk waarbij zij niet wordt afgeleid door activiteiten van anderen) en 2.12.1 (aangewezen zijn op werk waarin meestal weinig tot geen rechtstreeks contact met klanten vereist is). Het Uwv heeft op 30 maart 2023 een nieuwe FML opgesteld waarin de beperkingen die de deskundige noemt, zijn opgenomen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 12 april 2023 geconcludeerd dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellante.
Appellante heeft te kennen gegeven geen nadere zienswijze naar voren te willen brengen.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. De Raad is van oordeel dat deze situatie zich hier voordoet. Het rapport van de deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek, is inzichtelijk en consistent en komt de Raad overtuigend voor. Alle beschikbare gegevens van de behandelaars van appellante en ook de informatie van de artsen van het Uwv zijn door de deskundige bij de beoordeling betrokken. De deskundige heeft appellante gezien op spreekuur en appellante heeft blijkens het rapport op de aan haar gestelde vragen duidelijk antwoord gegeven.
De deskundige heeft inzichtelijk uiteengezet waarom hij aanknopingspunten ziet voor verdergaande beperkingen en waar die verdergaande beperkingen uit bestaan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de deskundige hierin gevolgd. Nu appellante niets tegen de nieuwe FML heeft ingebracht en de Raad ook niet is gebleken dat het Uwv de opmerkingen van de deskundige niet op juiste wijze heeft gevolgd, oordeelt de Raad dat de FML van 30 maart 2023 correct is. Nu het Uwv pas in hoger beroep een volledig juiste onderbouwing van het bestreden besluit heeft gegeven is er sprake van een zorgvuldigheidsgebrek in de besluitvorming. Het vastgestelde zal met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat appellante hierdoor niet is benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen.
Arbeidskundige beoordeling
Appellante heeft geen arbeidskundige gronden ingediend. De Raad oordeelt dat de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.
Conclusie en gevolgen
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de WIA-uitkering in stand blijft.
6. De toepassing van artikel 6:22 van de Awb geeft aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep van € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 837,- per punt) en in hoger beroep € 837,- (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, met een waarde van € 837,- per punt), in totaal € 2.511,-. Verder dient het Uwv het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.511,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 182,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2023.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) E.X.R. Yi