21 2139 WAJONG
Datum uitspraak: 13 februari 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 in verbinding met artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad
van 30 november 2020, 17/5449 Wajong
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft verzocht om de uitspraak van de Raad van 30 november 2020, 17/5449 Wajong, te herzien.
Het Uwv heeft een reactie gegeven op het verzoek.
Verzoeker heeft bij brieven van 6 en 7 september 2022 zijn verzoek aanvullend onderbouwd.
OVERWEGINGEN
1. Voor de van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de hiervoor vermelde uitspraak van 30 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2979.
2. Bij de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht, stond de vraag centraal of verzoeker op zijn achttiende verjaardag ( [Geboortedatum] 2010) en in de vijf jaar daarna mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) had, als bedoeld in artikel 1a:1 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). De Raad heeft die vraag bevestigend beantwoord en geoordeeld dat appellant daarom geen recht heeft op een Wajong-uitkering.
3. Verzoeker heeft in zijn verzoek om herziening aangevoerd dat de aard en de omvang van zijn epilepsieklachten zijn onderschat. Daarbij heeft verzoeker onder meer gesteld dat hij sinds 2021 twee tot drie epilepsieaanvallen per dag heeft.
4. De Raad oordeelt over het verzoek als volgt.
Op grond van artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 19 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2257) is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.
Verzoeker heeft in zijn verzoek geen feiten of omstandigheden aangevoerd als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Dat de epilepsieaanvallen volgens verzoeker sedert 2021 in frequentie zijn toegenomen betekent niet dat dit, ware dit eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zou hebben geleid. Voor de mogelijke aanspraak op een Wajong-uitkering is in beginsel slechts de periode tussen het achttiende en drie en twintigste jaar van een betrokkene relevant. In het geval van verzoeker is dit de periode van [Geboortedatum] 2010 tot [Geboortedatum] 2015. Met hetgeen verzoeker over de periode tot [Geboortedatum] 2015 aan zijn verzoek om herziening ten grondslag heeft gelegd beoogt hij in feite een hernieuwde discussie te voeren over zijn Wajong-aanvraag van 9 oktober 2015 en de uitspraak van de Raad van 30 november 2020. Uit wat in 4.2 is overwogen volgt dat het middel van herziening daarvoor niet is bedoeld. Het verzoek om herziening is kennelijk ongegrond, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Hieruit volgt dat het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 30 november 2020 moet worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van A.L.K. Dagmar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2023.
(getekend) E.J.J.M. Weyers
(getekend) A.L.K. Dagmar