22 5 WIA
Datum uitspraak: 22 februari 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 6 juni 2019, 17/1786 WIA, 17/1787 WIA
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 6 juni 2019, 17/1786 WIA en 17/1787 WIA, ECLI:NL:CRVB:2019:1835.
Het Uwv heeft een reactie op het verzoek om herziening gegeven.
Verzoeker heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 11 januari 2023. Verzoeker is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door Y. Huisman.
OVERWEGINGEN
Verzoeker is met ingang van 13 juli 2012 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Met ingang van 13 september 2012 is deze uitkering omgezet naar een loonaanvullingsuitkering. Verzoeker is vanaf 1 september 2013 werkzaam geweest als ICT-tester in dienst van het Uwv. De inkomsten uit deze arbeid werden verrekend met de WGA-uitkering. In verband hiermee werd de WGA-uitkering bij wijze van voorschot betaald en vond achteraf de definitieve vaststelling van de WGA-uitkering plaats.
Bij besluit van 12 januari 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 mei 2016, heeft het Uwv de WGA-uitkering over de maanden oktober tot en met december 2015 definitief vastgesteld en berekend dat verzoeker nog een nabetaling van € 167,70 bruto ontvangt. Bij besluit van 19 augustus 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 november 2016, heeft het Uwv de WGA-uitkering over de maanden april tot en met juni 2016 definitief vastgesteld en berekend dat verzoeker in totaal € 115,93 bruto te veel heeft ontvangen.
Bij uitspraak van 6 februari 2017 heeft de rechtbank Amsterdam de beroepen tegen de besluiten van 18 mei 2016 en 3 november 2016 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 6 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1835, waarvan nu herziening wordt gevraagd, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Verzoeker heeft in het verzoek om herziening, samengevat, aangevoerd dat het Uwv destijds verkeerde informatie aan de Raad heeft gegeven en de loonaangiftespecificaties verkeerd heeft geïnterpreteerd. Dat blijkt volgens verzoeker uit de brieven van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 4 november 2021 en van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 15 juli 2022. Het Uwv is volgens verzoeker bij de vaststelling van het inkomen dat in aanmerking wordt genomen bij de definitieve vaststelling van de WGA-uitkering uitgegaan van een verkeerde verrekening van verschillende looncomponenten. Ook heeft appellant diverse andere stukken ingebracht.
Het Uwv heeft op het verzoek om herziening gereageerd.
3. De Raad oordeelt als volgt.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Volgens vaste rechtspraak dient het bijzondere rechtsmiddel van herziening er niet toe om een hernieuwde discussie over de betreffende uitspraak te voeren of te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen. Dit kan alleen als is voldaan aan de strikte cumulatieve voorwaarden van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Zie de uitspraak van de Raad van 11 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2791.
Verzoeker heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak van 6 juni 2019. Reeds daarom voldoet het verzoek niet aan de in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb gestelde eisen. Met wat verzoeker heeft aangevoerd probeert hij in feite opnieuw, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, de discussie te voeren over de zaak waarover onherroepelijk is beslist bij de uitspraak van 6 juni 2019. Het rechtsmiddel van herziening is daarvoor niet bedoeld.
Uit 3.2 en 3.3 volgt dat het verzoek om herziening van de uitspraak van 6 juni 2019 moet worden afgewezen.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van L. Winters als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2023.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) L. Winters