ECLI:NL:CRVB:2023:395

ECLI:NL:CRVB:2023:395, Centrale Raad van Beroep, 28-02-2023, 21 / 2863 PW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 28-02-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 21 / 2863 PW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 2 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0015703

Samenvatting

Intrekking en terugvordering van bijstand. Stortingen en bijschrijvingen. Het college heeft de stortingen en bijschrijvingen terecht als inkomsten aangemerkt. De stelling van appellant dat hij geld heeft geleend om rond te kunnen komen nadat de uitbetaling van zijn bijstand door het college was geblokkeerd, slaagt niet, alleen al omdat er al voor de blokkering van de bijstand een storting van € 500,- heeft plaatsgevonden. En daargelaten nog dat appellant het bestaan van een lening of leningen niet aannemelijk heeft gemaakt, is een geldlening niet uitgezonderd van het middelenbegrip.

Uitspraak

21 2863 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 juni 2021, 20/5581 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)

Datum uitspraak: 28 februari 2023

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.I. Bal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. M. Djamal, advocaat en kantoorgenoot van mr. Bal, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het college heeft desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2023. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Djamal. Het college is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontvangt sinds 9 april 2018 naast een arbeidsongeschiktheidsuitkering aanvullende bijstand van maandelijks bedragen variërend van € 250,- tot € 300,- op grond van de Participatiewet (PW). Appellant levert vanaf 1 november 2018 elke maand een inkomstenformulier in met een bijbehorende uitkeringsspecificatie, omdat de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wisselt.

Al bij de aanvraag om bijstand had het college geconstateerd dat er stortingen en bijschrijvingen op de bankrekening van appellant plaatsvonden. Aan deze stortingen en bijschrijven heeft het college aanvankelijk geen consequenties verbonden. Bij brief van 14 februari 2019 heeft het college appellant meegedeeld dat de stortingen en bijschrijvingen vanaf die datum voortaan als inkomsten in mindering op de bijstand zullen worden gebracht.

Het college heeft de uitbetaling van bijstand van appellant in augustus 2019 geblokkeerd, omdat het college geen inkomstenformulier over augustus 2019 van appellant had ontvangen. Op 6 november 2019 heeft het college een voorschot van € 450,- aan appellant betaald en op 29 november 2019 een individuele inkomenstoeslag toegekend. Op 7 februari 2020 heeft een herberekening plaatsgevonden en heeft het college de bijstand over de periode van augustus 2019 tot en met december 2019 onder verrekening van het betaalde voorschot nabetaald.

In het kader van een heronderzoek in februari 2020 heeft appellant bankafschriften overgelegd, waarop stortingen en bijschrijvingen zichtbaar waren. Het gaat daarbij om de volgende stortingen en bijschrijvingen:

- in juli 2019 twee bijschrijvingen van € 40,- van L;

- in augustus 2019 een storting van € 500,- en een bijschrijving van € 500,- van A;

- in september 2019 drie bijschrijvingen, een van € 500,- van A, een van € 40,- van L en een van € 20,- van L;

- in oktober 2019 twee stortingen van € 500,-, en een bijschrijving van € 200,- van D.

Over de bijschrijvingen van L en D heeft appellant verklaard dat deze afkomstig zijn van zijn buurman in verband met boodschappen die appellant voor hem en zijn inwonende zoon had gedaan. Het college heeft die bijschrijvingen daarom buiten beschouwing gelaten. De overige stortingen en bijschrijvingen over de maanden augustus 2019 tot en met oktober 2019 van in totaal een bedrag van € 2.500,- heeft het college in aanmerking genomen als inkomsten. De bevindingen van het heronderzoek zijn neergelegd in een rapport van 19 december 2019.

Bij besluit van 1 april 2020, gehandhaafd bij besluit van 13 oktober 2020 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant over de periode van 1 augustus 2019 tot en met 31 oktober 2019 op grond van artikel 54, derde lid, tweede volzin, van de PW ingetrokken en de kosten van bijstand over die periode op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder a van de PW tot een bedrag van € 831,49 (netto) van appellant teruggevorderd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat in de maanden augustus 2019 tot en met oktober 2019 bedragen op de bankrekening van appellant zijn bijgeschreven en gestort die als inkomsten moeten worden aangemerkt. Het inkomen van appellant was daarmee boven de voor hem geldende bijstandsnorm, zodat geen recht bestond op aanvullende bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft aangevoerd dat de stortingen en bijschrijvingen ten onrechte als inkomsten zijn aangemerkt. Het gaat om geld dat appellant heeft moeten lenen, omdat de uitbetaling van zijn bijstand in augustus 2019 door het college was geblokkeerd. Hij kon daarom niet rond komen. Dat de stortingen en bijschrijvingen boven de bijstandsnorm uitkomen, komt omdat hij meer heeft geleend uit vrees in de toekomst wellicht ook geen bijstand te krijgen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Vaststaat dat in de periode van 1 augustus 2019 tot en met 31 oktober 2019 op de bankrekening van appellant diverse stortingen en bijschrijvingen van derden hebben plaatsgevonden.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, worden bedragen die contant zijn gestort en bedragen die zijn overgemaakt door derden op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel beschouwd als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door de betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is ook sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450).

Het is dan aan appellant om aannemelijk te maken dat het bij de stortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekening niet om inkomsten gaat. Appellant is daarin niet geslaagd. De stelling van appellant dat hij geld heeft geleend om rond te kunnen komen nadat de uitbetaling van zijn bijstand door het college was geblokkeerd, slaagt niet, alleen al omdat er al voor de blokkering van de bijstand, op 10 augustus 2019, een storting van € 500,- heeft plaatsgevonden. En daargelaten nog dat appellant het bestaan van een lening of leningen niet aannemelijk heeft gemaakt, is een geldlening, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet uitgezonderd van het middelenbegrip.

Dit betekent dat het college de stortingen en bijschrijvingen terecht als inkomsten heeft aangemerkt. Het college was bevoegd de bijstand van appellant in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen. Appellant heeft ten onrechte bijstand ontvangen en de gemaakte kosten van bijstand moeten volgens het college om die reden aan het college worden terugbetaald. Volgens het college wordt in de regel gebruik gemaakt van deze bevoegdheden. In de gegeven omstandigheden mocht het college hiervan gebruik maken.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van J. Oosterveen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2023.

(getekend) A.M. Overbeeke

(getekend) J. Oosterveen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?