ECLI:NL:CRVB:2023:452

ECLI:NL:CRVB:2023:452, Centrale Raad van Beroep, 09-03-2023, 22 / 511 WAD

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 09-03-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22 / 511 WAD
Rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0003482

Samenvatting

De Raad komt tot het oordeel dat zowel het hoger beroep van appellant als het incidenteel hoger beroep van de Kroon niet slaagt. Geen bevoegdheidsgebrek. Toerekenbaar wangedrag. Het ontslag is niet onevenredig.

Uitspraak

Totstandkoming van het besluit

Appellant was werkzaam bij de Koninklijke Landmacht, rang [naam rang 1] .

In de periode december 2018 tot en met mei 2019 zijn vier meldingen van ongewenst gedrag gedaan over appellant. Naar aanleiding van deze meldingen heeft de Commandant [naam bataljon] bij besluit van 6 juni 2019 appellant met ingang van 3 juni 2019 geschorst in het belang van de dienst.

Op 12 juni 2019 is een intern onderzoek ingesteld naar het vermeende ongewenst gedrag van appellant. Dit heeft geleid tot het rapport van 7 oktober 2019.

Bij besluit van 13 juni 2019 heeft de Minister van Defensie (minister) appellant met ingang van 23 mei 2019 ontheven uit zijn uitzendfunctie, waardoor appellant is gerepatrieerd.

Bij besluit van 26 augustus 2019 heeft de Commandant [naam bataljon] de schorsing van appellant verlengd, voor de duur van het onderzoek.

Op 31 oktober 2019 is appellant voorgedragen voor ontslag vanwege wangedrag.

Bij besluit van 28 februari 2020 heeft de Staatssecretaris van Defensie met toepassing van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) appellant met ingang van 1 april 2020 ontslag verleend vanwege wangedrag. Verder is vermeld dat het koninklijk besluit met betrekking tot het ontslag van appellant is aangevraagd en dat deze na goedkeuring zo spoedig mogelijk aan appellant wordt toegezonden. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij koninklijk besluit van 27 maart 2020 heeft de Kroon appellant met ingang van 1 april 2020 ontslag verleend vanwege wangedrag.

Bij het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

3. De rechtbank heeft ambtshalve geoordeeld dat, gelet op artikel 38, eerste lid, van het AMAR, het koninklijk besluit van 27 maart 2020 moet worden aangemerkt als het primaire besluit. Dit betekent dat appellant op 24 maart 2020 prematuur bezwaar heeft gemaakt tegen zijn ontslag. De rechtbank heeft het bezwaar ontvankelijk geacht, omdat het met het besluit van 28 februari 2020 voor appellant duidelijk was dat zijn ontslag een feit was en dat dit is geformaliseerd met het koninklijk besluit. Verder heeft de rechtbank overwogen dat uit de systematiek van hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat op het door appellant gemaakte bezwaar ook bij koninklijk besluit had moeten worden beslist. De minister heeft een brief van de directeur van het Kabinet van de Koning van 9 november 2020 overgelegd, waarin is meegedeeld dat Zijne Majesteit de Koning aan de minister machtiging heeft verleend te beslissen op het bezwaarschrift van appellant. Gelet op deze machtiging, had de minister het besluit op het bezwaar behoren te nemen en te ondertekenen namens Zijne Majesteit de Koning. De minister heeft echter het bestreden besluit op eigen naam ondertekend. Dit betekent dat het bestreden besluit een bevoegdheidsgebrek heeft. De rechtbank heeft dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd, omdat aannemelijk is dat appellant hierdoor niet is benadeeld. Ten aanzien van het ontslag vanwege wangedrag heeft de rechtbank vastgesteld dat appellant de hem verweten gedragingen niet betwist. Deze gedragingen zijn aan te merken als wangedrag. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het ontslag niet onevenredig is aan het gedrag van appellant.

Beoordeling door de Raad

De Raad beoordeelt of het oordeel van de rechtbank over het ontslag vanwege wangedrag juist is en of de rechtbank terecht artikel 6:22 van de Awb heeft toegepast. De Raad doet dat aan de hand van de argumenten die appellant en de Kroon hebben aangevoerd, de beroepsgronden.

De Raad komt tot het oordeel dat zowel het hoger beroep van appellant als het incidenteel hoger beroep van de Kroon niet slaagt. De rechtbank heeft het bestreden besluit terecht in stand gelaten en terecht artikel 6:22 van de Awb toegepast. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Er is sprake van een bevoegdheidsgebrek

In artikel 38, eerste lid, van het AMAR is bepaald dat het verlenen van ontslag aan de militair met een officiersrang geschiedt bij koninklijk besluit.

De Kroon heeft aangevoerd dat het bestreden besluit geen bevoegdheidsgebrek heeft. Dit betoog slaagt niet. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat de minister het besluit heeft genomen namens de Kroon. De brief van 9 november 2020, waarin is meegedeeld dat Zijne Majesteit de Koning de minister machtiging heeft verleend te beslissen op het bezwaarschrift van appellant, maakt dit niet anders omdat de verleende machtiging niet kenbaar is in het bestreden besluit. Nu aannemelijk is dat appellant door dit gebrek niet is benadeeld, heeft de rechtbank dit gebrek terecht met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd.

Verder heeft de Kroon aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het koninklijk besluit van 27 maart 2020 als het primaire besluit heeft aangemerkt, waardoor het bezwaar van appellant niet prematuur is. Nu deze overweging niet de reden is geweest voor de rechtbank om artikel 6:22 van de Awb toe te passen, stelt de Raad vast dat deze beroepsgrond geen bespreking behoeft.

Er is sprake van toerekenbaar wangedrag

Op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR kan aan de militair ontslag worden verleend vanwege wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst voor zover dit gedrag schadelijk is of kan zijn voor de dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt.

Appellant wordt verweten dat hij een heimelijke affectieve relatie heeft gehad met een ondergeschikte [naam rang 2] en deze relatie niet heeft gemeld; dat hij een vrouwelijke luitenant ongepast op en/of aan haar knie heeft aangeraakt; dat hij, nadat zijn relatie met de [naam rang 2] voorbij was, ongevraagd haar legeringskamer heeft betreden om haar te feliciteren door haar te kussen terwijl zij reeds in bed lag, en dat hij ongepaste en/of ongewenste berichten per mobiele (privé)telefoon heeft gestuurd.

Niet in geschil tussen partijen is dat appellant deze verweten gedragingen heeft begaan. De Kroon heeft deze gedragingen terecht gekwalificeerd als wangedrag. Appellant heeft met zijn gedrag in strijd gehandeld met de Gedragscode Defensie en Aanwijzing SG A/984. Daarin is onder meer vermeld dat de militair respectvol met een ieder moet omgaan, moet beseffen dat voor agressie, seksuele intimidatie of ander ongewenst gedrag geen plaats is binnen Defensie en dat relaties op de werkvloer te allen tijde moeten worden gemeld. Verder kan het wangedrag appellant worden toegerekend.

Het ontslag is niet onevenredig

Appellant heeft aangevoerd dat het ontslag onevenredig is aan het gepleegde wangedrag. Dit betoog slaagt niet. In het bestreden besluit is vermeld dat het belang bij het ontslag van appellant is dat het Ministerie van Defensie dient te beschikken over integer en betrouwbaar personeel. Dit is een zwaarwegend belang, dat zwaarder heeft mogen wegen dan het belang van appellant bij behoud van zijn baan. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat het wangedrag gedurende een langere periode heeft plaatsgevonden en was gericht tegen meerdere ondergeschikten. Appellant is meermaals op zijn gedrag aangesproken, zowel door de Commandant [naam bataljon] als door de ondergeschikten zelf. Ondanks dat daarbij aan appellant kenbaar is gemaakt dat het privécontact als ongewenst wordt ervaren, is appellant doorgegaan met het versturen van privéberichten. Verder acht de Raad van belang dat appellant geen inzicht heeft getoond in de laakbaarheid van zijn gedrag. Wat appellant heeft aangevoerd, leidt dan ook niet tot het oordeel dat de Kroon met een ambtsbericht had moeten volstaan.

Conclusie en gevolgen

5. Zowel het hoger beroep van appellant als het incidenteel hoger beroep van de Kroon slaagt niet. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Nu het incidenteel hoger beroep van de Kroon niet slaagt, krijgt appellant een proceskostenvergoeding voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het verschijnen ter zitting) ter hoogte van € 837,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en H. Lagas en H.C.P. Venema als leden, in tegenwoordigheid van S.N. de Groot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2023.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) S.N. de Groot

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?