OVERWEGINGEN
1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Verzoekster heeft in haar wrakingsverzoek als grond naar voren gebracht dat zij uit het feit dat het onderzoek in de gedingen tussen haar en het college is gesloten, heeft afgeleid dat de behandelend rechters geen gehoor geven aan haar verzoek om terug te komen van de tussenuitspraak van 14 juni 2022. Verzoekster gaat ervan uit dat zij in de gedingen tegen het college daarom niet in het gelijk zal worden gesteld en dat het voorbijgaan aan haar gemotiveerde verzoek om een nieuwe tussenuitspraak alleen kan worden verklaard door vooringenomenheid van de behandelend rechters.
Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter moet verder het uitgangspunt zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende daarover bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).
De beslissing tot sluiting van het onderzoek is een zogeheten procedurele beslissing. Een procedurele beslissing als zodanig kan nooit grond vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van een procedurele beslissing. Ook de motivering van een procedurele beslissing kan geen grond vormen voor wraking, ook niet indien het zou gaan om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de procedurele beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechters die haar hebben gegeven (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413).
Nu verzoekster zich richt tegen de sluiting van het onderzoek, kan, gelet op deze maatstaf, wat verzoekster heeft aangevoerd over deze beslissing geen grond vormen voor wraking. Enige aanwijzing dat de behandelend rechters jegens verzoekster vooringenomenheid koesteren is uit de beslissing tot sluiting van het onderzoek niet af te leiden. Dat verzoekster – zoals zij kennelijk vreest – mogelijk in het ongelijk zal worden gesteld, maakt dat niet anders. Het is inherent aan het beslechten van geschillen dat niet alle partijen in het gelijk worden gesteld.
In wat verzoekster naar voren heeft gebracht heeft de Raad ook overigens geen enkel aanknopingspunt kunnen vinden dat erop wijst dat de behandelend rechters vooringenomenheid jegens verzoekster koesteren, of dat een daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
4. Wat is overwogen onder 3.1 tot en met 3.3 betekent dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking van de behandelend rechters af.
Deze beslissing is gegeven door E. Dijt als voorzitter en T. Dompeling en S.B. SmitColenbrander als leden, in tegenwoordigheid van L. Winters als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2023.
(getekend) E. Dijt
(getekend) L. Winters