ECLI:NL:CRVB:2023:71

ECLI:NL:CRVB:2023:71, Centrale Raad van Beroep, 12-01-2023, 22 / 1036 AW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 12-01-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22 / 1036 AW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBROT:2022:1694
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 2 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0006516

Samenvatting

Eervol ontslag. De korpschef heeft in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat appellant niet aan de eisen van geschiktheid of bekwaamheid heeft voldaan.

Uitspraak

22. 1036 AW

Datum uitspraak: 12 januari 2023

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 maart 2022, 21/560 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H. Gerritsen hoger beroep ingesteld en verzocht om de korpschef te veroordelen tot vergoeding van schade.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gerritsen. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Stegeman en J.J. van den Hul.

OVERWEGINGEN

Bij besluit van 8 februari 2019 heeft de korpschef appellant aangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd van één jaar in de functie van Assistent Beveiliging B bij het Team Arrestantentaken van de Eenheid Rotterdam voor de periode van 1 april 2019 tot en met 31 maart 2020. Dit besluit is gebaseerd op artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp).

Op 23 januari 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen appellant en zijn leidinggevende over de omgangsvormen en ongewenste contacten die appellant volgens meerdere vrouwelijke collega’s zou hebben vertoond. In het verslag dat van dit gesprek is gemaakt, staat dat appellant zich er niet in herkend dat collega’s zich ongemakkelijk voelen, maar dat hij wel van het fysiek aanraken tijdens het communiceren is en daarover in het verleden wel eens iets is gezegd. Verder blijkt uit dit verslag dat appellant het gevoel heeft dat er dingen worden verzonnen om hem te benadelen. Appellant heeft bij brief van 12 februari 2020 een reactie gegeven op het verslag. Hij heeft daarin zijn eerdere reactie herhaald en heeft ontkend dat hij ongepaste uitlatingen heeft gedaan of ongewenst gedrag heeft vertoond. Uit een verslag dat de leidinggevende van appellant heeft gemaakt van gesprekken die hij met vijf vrouwelijke collega’s van appellant heeft gevoerd, komt naar voren dat appellant (te) amicaal is, snel fysiek contact maakt met daarbij overmatige aanrakingen en erg dichtbij komt staan en dat vier van hen zijn gedrag als onprettig ervaren.

Op 17 maart 2020 heeft de korpschef aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt de aanstelling in tijdelijke dienst voor een proeftijdaanstelling niet te verlengen en niet om te zetten in een vaste aanstelling. Volgens de korpschef dient appellant zich bewust te zijn van zijn omgangsvormen jegens (vrouwelijke) collega’s en zijn er in de korte tijd dat hij in dienst is al meerdere meldingen van ongepast gedrag gedaan. Hieruit concludeert de korpschef dat appellant niet in staat is te voldoen aan de geschiktheidseisen die redelijkerwijs mogen worden gesteld aan medewerkers van de politie. De korpschef heeft hierbij gewezen op de specifieke taakstelling van de politie, de hoge eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid die daarbij worden gesteld en de veilige werkomgeving die de politie wil bieden. Appellant heeft zijn zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. Appellant heeft daarbij onder meer gezegd dat hij niets heeft gedaan bij de vrouwelijke collega’s en niet begrijpt waarom zij ineens een probleem met hem hebben. Hij heeft het gevoel dat hij wordt teruggepakt vanwege zijn melding en aangifte van mishandeling door een collega.

In een incidentverslag van 27 maart 2020 vermeldt een teamchef van appellant dat zij hem op 17 mei 2019 heeft aangesproken op het feit dat hij tijdens dat gesprek te dicht bij haar kwam staan en dat hij daar rekening mee moet houden in de omgang met arrestanten en collega’s.

Bij besluit van 31 maart 2020, na bezwaar, gehandhaafd bij besluit van 21 december 2020, heeft de korpschef aan appellant op grond van artikel 89, tweede lid, van het Barp eervol ontslag verleend met ingang van 1 april 2020. Hierbij heeft de korpschef zich, onder verwijzing naar het voornemen, de zienswijze en het incidentverslag, op het standpunt gesteld dat appellant met zijn handelingen de grenzen van het toelaatbare heeft overschreden, dat hij geen enkel inzicht heeft getoond in het feit dat zijn gedrag door anderen als onprettig wordt ervaren en dat daarom geen verbetering van zijn gedrag zal optreden. Volgens de korpschef staat het door appellant genoemde incident met zijn collega geheel los van het ontslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, kort samengevat en voor zover nog van belang, overwogen dat het bestreden besluit stand kan houden, hoewel het onderzoek beperkt is geweest en de korpschef meer zorg had moeten dragen voor de verslaglegging van de verschillende gesprekken. Uit de aanwezige stukken komt het beeld naar voren dat appellant met collega’s omgaat op een manier die door hen als onprettig en ongepast wordt ervaren. Dit beeld wordt bevestigd in het incidentverslag van 27 maart 2020. Gelet hierop heeft de korpschef in redelijkheid kunnen oordelen dat appellant niet aan de gestelde eisen en verwachtingen voldeed. Het gedrag van appellant voldoet niet aan de hoge eisen die verweerder aan de integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid van medewerkers van de politie mag stellen.

3. In hoger beroep heeft appellant verwezen naar de door hem in bezwaar en beroep aangevoerde gronden. Hij heeft herhaald dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest, dat er geen bewijs is dat hij zich heeft misdragen en dat hij de aantijgingen ontkent. Verder heeft appellant verzocht om de korpschef te veroordelen tot een schadevergoeding.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De toetsing van een besluit tot niet voortzetten van een tijdelijk dienstverband na afloop van de proeftijd is terughoudend. Deze toetsing is, in een zaak als hier aan de orde waarin het gaat om een ontslag op grond van artikel 89, tweede lid, van het Barp, in beginsel beperkt tot de beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de betrokken ambtenaar niet aan de eisen van geschiktheid of bekwaamheid heeft voldaan. Het bestuursorgaan hoeft niet aannemelijk te maken dat de ambtenaar blijk heeft gegeven van ongeschiktheid die het ontslag van een in vaste dienst aangestelde ambtenaar zou kunnen rechtvaardigen.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd over het niet voortzetten van zijn tijdelijk dienstverband is in essentie een herhaling van wat hij in bezwaar en beroep daarover naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en toereikend gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft de hierop betrekking hebbende overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank. De Raad voegt hieraan nog toe dat de korpschef wordt gevolgd in zijn standpunt dat appellant geen inzicht heeft getoond in het feit dat zijn gedrag door anderen als onprettig kan worden ervaren en dat daarom verbetering van zijn gedrag niet te verwachten valt. De korpschef heeft dan ook in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat appellant niet aan de eisen van geschiktheid of bekwaamheid heeft voldaan.

Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Dit betekent dat het door appellant ingediende verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door Y. Sneevliet als voorzitter en L.M. Tobé en M. Wolfrat als leden, in tegenwoordigheid van D. Al-Zubaidi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2023.

(getekend) Y. Sneevliet

(getekend) D. Al-Zubaidi

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?