Bijlage: regelgeving
Artikel 1:4. Studerenden 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt als studerende aangemerkt de persoon:
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ook andere dan de in het eerste lid bedoelde personen als studerende worden aangemerkt.
Besluit uitbreiding kring studerenden Wajong(tekst die geldt sinds 1 september 2020)
Artikel 1. Uitbreiding van de kring van studerenden1. Voor de toepassing van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten wordt mede verstaan onder studerende de persoon die niet op grond van artikel 1:4, eerste lid, van die wet als studerende wordt aangemerkt en die:
1°.een opleiding aan een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in de artikelen 1.8 of 6.9 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, dan wel een daarmee gelijkwaardige opleiding in of buiten Nederland volgt met een studiebelasting van ten minste 1680 uur per jaar;
2°.een andere studie of opleiding volgt dan genoemd onder 1°, met een studiebelasting van ten minste 1600 uur per jaar; of
3°.in het examenjaar van een meerjarige studie of opleiding ten minste gemiddeld 162 klokuren per kwartaal lessen of stages volgt.
2. In afwijking van het eerste lid wordt niet als studerende aangemerkt degene die een levenlanglerenkrediet ontvangt op grond van de Wet studiefinanciering 2000.
WOOS (tekst die geldt sinds 1 januari 2019; Kamerstukken 34977)
Artikel 19a. Onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bedoeld in artikel 1 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft tot taak te bevorderen dat belemmeringen worden weggenomen die de ingezetene, bedoeld in artikel 1:2 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, vanwege ziekte of gebrek ondervindt bij het volgen van onderwijs, indien het een persoon betreft die:
2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan op aanvraag van degene, bedoeld in het eerste lid, toekennen:
3. De artikelen 3:18, 3:33, 3:56, 3:57, 3:58, 3:62 en 3:74 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten zijn van overeenkomstige toepassing op voorzieningen bedoeld in het tweede lid.
4. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan geen tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang toekennen.
5. Beschikkingen op grond van artikel 2.17 van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen worden na de inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als beschikkingen op grond van deze wet.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld.
Art. 2.2.2 Protocol Voorzieningen UWV 2019
2.2.2. Doelgroep onderwijsvoorzieningen
[Regeling vervallen per 7 mei 2020 met terugwerkende kracht tot en met 1 maart 2020]
Om voor een onderwijsvoorziening in aanmerking te komen, dient een leerling belemmeringen te ondervinden bij het volgen van initieel onderwijs. Deze belemmeringen duren naar verwachting tenminste nog 3 maanden.
Voorts moet de leerling ingezetene zijn als bedoeld in de Wajong en:
Als studerend als bedoeld in de Wajong wordt aangemerkt de persoon:
Bijzondere situaties
Wsf 2000
Artikel 2.3. Leeftijd
1. Een deelnemer kan in aanmerking komen voor:
2. Voor studiefinanciering kan een student in aanmerking komen met ingang van de eerste dag van de maand waarin hij hoger onderwijs is gaan volgen.
3.Voor studiefinanciering kan een studerende in aanmerking komen tot en met de maand waarin hij de leeftijd van 30 jaren heeft bereikt.
4. In afwijking van het derde lid behoudt een studerende bij het bereiken van de leeftijd van 30 jaren zijn aanspraak, zolang hij zonder onderbreking studiefinanciering geniet.
Artikel 2.3a. Leeftijd levenlanglerenkrediet(tekst die geldt van 1 september 2017 tot 1 augustus 2020; Kamerstukken 34977)
1. In afwijking van artikel 2.3, eerste en derde lid, kan een deelnemer voor levenlanglerenkrediet in aanmerking komen die 30 jaren of ouder is maar nog niet de leeftijd van 55 jaren heeft bereikt.
2. In afwijking van artikel 2.3, tweede en derde lid, kan een student voor levenlanglerenkrediet in aanmerking komen die nog niet de leeftijd van 55 jaren heeft bereikt.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid behoudt een studerende bij het bereiken van de leeftijd van 55 jaren zijn aanspraak, zolang hij zonder onderbreking levenlanglerenkrediet geniet.
Artikel 3.16b. Levenlanglerenkrediet: aanspraak1. Het levenlanglerenkrediet is een lening die aan een studerende op aanvraag wordt toegekend.
2. Het levenlanglerenkrediet wordt slechts verstrekt:
3.-4. (…)
Artikel 3.16c. Levenlanglerenkrediet: duur
1. Het levenlanglerenkrediet kan worden verstrekt gedurende vier jaar.
2. De periode, bedoeld in het eerste lid, kan worden verlengd indien de studerende in de laatste maand van die periode een opleiding volgt met een langere nominale duur dan vier jaar en die opleiding onafgebroken blijft volgen. Het levenlanglerenkrediet kan ten hoogste zoveel langer worden verstrekt als het verschil tussen 48 maanden en het aantal maanden waarop de studielast is gebaseerd op grond van:
3. Indien de student in de laatste maand van de periode, bedoeld in het eerste of tweede lid, een deeltijdse opleiding volgt en deze opleiding onafgebroken blijft volgen, wordt de periode met één jaar verlengd.