OVERWEGINGEN
Samenvatting
In deze zaak gaat het om de vraag of het college terecht het verzoek om vergoeding van de door de bewindvoerder in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand heeft afgewezen. De Raad herhaalt dat het uitgangspunt is dat kosten van een professionele rechtshulpverlener worden aangemerkt als redelijkerwijs gemaakt en voor vergoeding in aanmerking komen. De omstandigheid dat een professionele bewindvoerder de rechtsbijstand heeft ingeschakeld doet daar op zichzelf niet aan af. De Raad komt toch tot het oordeel dat het college de in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand niet hoeft te vergoeden. De reden daarvoor ligt in de bijzondere omstandigheden van dit geval.
Inleiding
Totstandkoming van het bestreden besluit
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Betrokkene is onder bewind gesteld. Tot 1 juni 2021 was drs. Elidrissi, die in hoger beroep als gemachtigde optreedt, haar bewindvoerder. De kantonrechter heeft hem op zijn verzoek met ingang van die datum als bewindvoerder ontslagen en een ander als bewindvoerder benoemd. Betrokkene ontvangt van het college maandelijks bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) voor de kosten van bewindvoering. Het college kende deze bijzondere bijstand jaarlijks op verzoek toe, voor het laatst tot en met 31 december 2019.
Met het besluit van 23 oktober 2019 heeft het college de bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering van betrokkene automatisch voortgezet met ingang van 1 januari 2020 en daarbij de hoogte vastgesteld op € 147,62 per maand.
Op verzoek van de toenmalige bewindvoerder van betrokkene, drs. Elidrissi (toenmalige bewindvoerder), heeft juridisch adviseur mr. N. El Moussaoui namens hem bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Hij heeft gesteld dat het bedrag van de bijzondere bijstand per 1 januari 2020 moet worden vastgesteld op € 150,44 per maand. Hij heeft daarbij gewezen op de bedragen, genoemd in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (de Regeling), die met ingang van 1 januari 2020 zouden worden verhoogd. Op het moment van het bestreden besluit waren die nieuwe bedragen al bekend. Daarom had het college met die nieuwe bedragen rekening moeten houden. Verder heeft hij namens de toenmalige bewindvoerder verzocht om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten voor verleende rechtsbijstand.
Het college heeft met het bestreden besluit het bezwaar tegen het besluit van 23 oktober 2019 gegrond verklaard en dit besluit herzien in die zin dat aan betrokkene vanaf 1 januari 2020 maandelijks € 150,44 is toegekend. Het college heeft het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand afgewezen. Die afwijzing berust op het standpunt van het college dat de kosten van rechtsbijstand niet kunnen worden aangemerkt als kosten die de toenmalige bewindvoerder redelijkerwijs heeft moeten maken, zoals bedoeld in artikel 7:15, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college heeft zijn besluit om geen vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten toe te kennen als volgt nader gemotiveerd.
Het behoort tot de taak van de bewindvoerder om voor de financiële belangen van de onder bewind gestelde op te komen. Daaronder valt het maken van bezwaar tegen een besluit waarbij de financiële belangen van de onder bewind gestelde in geding zijn. In dit geval gaat het om een zeer eenvoudige zaak.
De toenmalige bewindvoerder had het college telefonisch kunnen wijzen op de evidente fout, die dan direct zou zijn hersteld. Andere bewindvoerders hebben dit met succes gedaan. De juiste tarieven zouden door een koppeling in de systemen overigens ook zonder dat bezwaar was gemaakt automatisch zijn doorgevoerd per 1 januari 2020.
De toenmalige bewindvoerder was bovendien een ervaren juridisch adviseur. Hij maakte voorheen als bewindvoerder altijd zelf bezwaar. Pas sinds het hem duidelijk werd dat aan hem als bewindvoerder de kosten van bezwaar niet meer werden vergoed, schakelt hij daarvoor derden in. Er zijn volgens het college meerdere aanwijzingen dat de toenmalige bewindvoerder louter procedeert om proceskosten te verkrijgen.
De uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft in zijn uitspraak van 19 juli 2021 het beroep ongegrond verklaard en het bestreden besluit in stand gelaten. Volgens de rechtbank is geen plaats voor een vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand, omdat het maken van bezwaar valt onder de taken van de bewindvoerder.
Het hoger beroep van appellante
3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het college de kosten van rechtsbijstand in bezwaar had moeten vergoeden, omdat het wel nodig was om die kosten te maken. Zij heeft gesteld dat het de toenmalige bewindvoerder in een persoonlijk gesprek met de coördinerend kantonrechter van de rechtbank Den Haag was verboden om als bewindvoerder nog langer juridische handelingen voor zijn cliënten te verrichten. Ook heeft appellante gesteld dat het in het algemeen verboden is dat een bewindvoerder optreedt als rechtsbijstandverlener voor de onder bewind gestelde. Daarbij heeft zij verwezen naar twee uitspraken van de rechtbank Den Haag van 3 oktober 2019 en van 29 november 2019.
Het oordeel van de Raad
4. Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen de afwijzing van het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand. De Raad beoordeelt of de rechtbank de afwijzing van dit verzoek terecht in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellante heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De rechtbank heeft terecht de afwijzing van het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten in stand gelaten. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Uitgangspunt vergoeding van de kosten in bezwaar
Het besluit van 23 oktober 2019 is herroepen wegens een aan het college te wijten onrechtmatigheid. Daarom komen ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb de kosten die in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs zijn gemaakt in aanmerking voor vergoeding. In artikel 2, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is bepaald op welke wijze het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. In het derde lid is bepaald dat in bijzondere omstandigheden van het eerste lid kan worden afgeweken.
Uitgangspunt is dat kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden aangemerkt als redelijkerwijs te zijn gemaakt. Die kosten komen dus in beginsel voor vergoeding in aanmerking. Anders dan het college meent, biedt de specifieke kennis, de ervaring of de taak van de bewindvoerder op zichzelf geen grond om van dit uitgangspunt af te wijken. Dat betekent dat dit uitgangspunt in beginsel ook geldt als een professionele bewindvoerder die derde heeft ingeschakeld.
Toch heeft het college in dit geval het verzoek om een vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand om een goede reden afgewezen. Dit wordt hierna toegelicht.
Bijzondere omstandigheden
Het college kon in de omstandigheden van dit geval grond zien om met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bbp af te wijken van het forfaitaire bedrag dat volgens artikel 2, eerste lid, van het Bpb moest worden vergoed en dat bedrag op nihil stellen. Het volgende ligt aan dit oordeel ten grondslag.
In dit geval is niet in geschil dat de zaak zeer eenvoudig was, omdat het alleen ging om het herstellen van een in het besluit evident verkeerd vastgesteld bedrag. Het was voor beide partijen duidelijk dat volgens de Regeling met ingang van 1 januari 2020 hogere beloningsbedragen golden en dat betrokkene vanaf die datum recht had op bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering tot een bedrag dat in overeenstemming was met die verhoging. Het college heeft verder onweersproken gesteld dat de evidente fout in het besluit direct zou zijn hersteld als hij daar telefonisch op was gewezen. Appellante heeft tot slot niet betwist dat, zoals het college heeft gesteld, het juiste bedrag ook zonder dat bezwaar was gemaakt per 1 januari 2020 door een koppeling in de systemen automatisch zou zijn toegekend.
De mogelijkheid voor afwijking van het forfaitaire stelsel op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb is bedoeld voor uitzonderlijke gevallen waarbij strikte toepassing van deze regeling onrechtvaardig zou uitpakken. Dat volgt uit de geschiedenis van totstandkoming van het Bpb. Als concreet voorbeeld van niet redelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand is daarbij genoemd het inschakelen van een derde terwijl een evidente fout in een eenvoudige zaak ook door middel van een telefoontje kon worden hersteld. In deze zaak staat vast dat het om een evidente fout ging en dat het doel van het bezwaar ook had kunnen worden bereikt met een telefonisch bericht aan het college dat het besluit van 23 oktober 2019 niet juist was. Het ging verder om een fout van een relatief beperkt belang waarvan door het college bovendien aannemelijk is gemaakt dat deze ook zonder het maken van bezwaar automatisch zou zijn hersteld.
Deze omstandigheden rechtvaardigen een verlaging van de te vergoeden kosten tot nihil. Het college mocht dus het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten afwijzen.
Conclusie en gevolgen
Wat in 4.1 tot en met 4.6.3 is overwogen leidt tot de conclusie dat het college de door de toenmalige bewindvoerder gemaakte kosten van rechtsbijstand in bezwaar niet hoefde te vergoeden.
De rechtbank heeft de afwijzing van het verzoek om een kostenvergoeding dus terecht in stand gelaten. Het hoger beroep slaagt dan ook niet.
Proceskosten
5. Appellante krijgt daarom geen vergoeding van de proceskosten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en E.C.E. Marechal en C.E.M Marsé als leden, in tegenwoordigheid van B. van Dijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2023.
(getekend) F. Hoogendijk
(getekend) B. van Dijk
BIJLAGE
Artikel 7:15 van de Awb
Artikel 2 van het Bpb
1. Het bedrag van de kosten wordt bij de uitspraak, onderscheidenlijk de beslissing op het bezwaar of het administratief beroep als volgt vastgesteld:
2. Indien een partij of een belanghebbende gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, kan het op grond van het eerste lid vastgestelde bedrag worden verminderd. Het op grond van het eerste lid vastgestelde bedrag kan eveneens worden verminderd indien het beroep bij de bestuursrechter is ingetrokken omdat gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen.
3. In bijzondere omstandigheden kan van het eerste lid worden afgeweken.