Het geschil
Tussen partijen is niet in geschil dat de volledige arbeidsongeschiktheid van de (ex-)werknemer van betrokkene niet alleen op 29 maart 2021, maar ook in 2012 al duurzaam was. In geschil is of het Uwv de ingangsdatum van de IVA-uitkering terecht heeft vastgesteld op 25 februari 2020, 52 weken voorafgaand aan het verzoek om herbeoordeling van 25 februari 2021.
Toepassing artikel 64 Wet WIA
In een situatie als de onderhavige, waarin de werkgever het Uwv verzoekt de arbeidsongeschiktheid van de (ex-)werknemer te beoordelen, is artikel 64, elfde en twaalfde lid, van de Wet WIA van toepassing. Het twaalfde lid gaat over de situatie waarin het recht op uitkering later ontstaat of herleeft of de uitkering wordt verhoogd zonder dat daaraan een aanvraag van de verzekerde ten grondslag ligt, bijvoorbeeld als het Uwv daartoe ambtshalve besluit of bij een verzoek om herbeoordeling door de (ex-)werkgever. Als er geen sprake is van een aanvraag van de verzekerde, wordt in het twaalfde lid geregeld dat het elfde lid van overeenkomstige toepassing is. Daardoor kan de herleving of het later ontstaan van het recht of de verhoging van de uitkering ook in dat geval niet eerder ingaan dan 52 weken voorafgaand aan de dag waarop het Uwv dat heeft vastgesteld dat daarvan sprake is. Dit betekent dus dat het recht op een IVA-uitkering van de (ex-)werknemer weliswaar op grond van artikel 48 van de Wet WIA per 1 mei 2012 zou zijn ontstaan, nu vanaf die datum is vastgesteld dat sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, maar dat ook in het geval van een verzoek om herbeoordeling door betrokkene als werkgever de uitkering vanwege de beperkende werking van artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA niet kan worden toegekend per die datum, tenzij er sprake is van een bijzonder geval.
Is sprake van een bijzonder geval?
Het Uwv heeft terecht geen bijzonder geval aanwezig geacht, op grond waarvan de IVA-uitkering van de (ex-)werknemer van betrokkene eerder dan 25 februari 2020 zou kunnen ingaan. Hiertoe wordt als volgt geoordeeld.
Het feit dat de verzekeringsarts in het rapport van 1 mei 2012 heeft aangegeven dat binnen acht maanden een herbeoordeling zal moeten plaatsvinden is, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, geen omstandigheid die een bijzonder geval oplevert in de zin van artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA. Daarbij is van belang dat op het Uwv geen wettelijke verplichting rust om tot herbeoordeling over te gaan. Verwezen wordt naar uitspraken van de Raad van 25 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2485, en 10 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2337. Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 31 augustus 2021 appellant per 1 mei 2012 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt acht, maakt dit niet anders.
Daarbij heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het Uwv niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een bijzonder geval. De bewijslast dat sprake is van een bijzonder geval ligt bij de aanvrager of, zoals in dit geval, bij betrokkene die heeft verzocht om een herbeoordeling. Verwezen wordt naar de uitspraken van 4 augustus 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1758, en 11 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:44.
Er bestaat geen aanleiding te oordelen dat sprake is van een bijzonder geval. Betrokkene heeft niet onderbouwd dat zij, wat de verlate aanvraag of verzoek om herbeoordeling betreft, redelijkerwijs gesproken niet kan worden geacht in verzuim te zijn geweest. Van een situatie als omschreven in 4.1.6 is niet gebleken. Daarnaast kan niet worden ingezien, anders dan de rechtbank heeft overwogen, dat betrokkene niet eerder aan de bel heeft kunnen trekken en een herbeoordeling heeft kunnen aanvragen. Of betrokkene hierbij al dan niet over medische informatie heeft kunnen beschikken speelt hierbij geen belemmerende rol. Een verzoek om herbeoordeling kan immers ook worden ingediend zonder onderbouwende medische informatie.
Uit het voorgaande volgt dat het Uwv de ingangsdatum van de IVA-uitkering van de (ex-)werknemer van betrokkene terecht heeft vastgesteld op 25 februari 2020.
Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit zal ongegrond worden verklaard.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep tegen het besluit van 9 september 2021 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling als voorzitter en C.F.E. van Olden-Smit en J.D. Streefkerk als leden, in tegenwoordigheid van C.G. van Straalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2023.
(getekend) T. Dompeling
(getekend) C.G. van Straalen