ECLI:NL:CRVB:2024:1460

ECLI:NL:CRVB:2024:1460, Centrale Raad van Beroep, 23-07-2024, 24/74 PW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 23-07-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 24/74 PW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 7 zaken
Aangehaald door 3 zaken
7 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0004045 BWBR0005537 BWBR0006358 BWBR0013060 BWBR0015703 BWBR0029368 BWBR0041201

Samenvatting

Intrekking en terugvordering bijstand. Op geld waardeerbare werkzaamheden. Schending inlichtingenverplichting. Appellant heeft de inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van de op geld waardeerbare werkzaamheden die hij bij de kapperszaak verrichtte. Ook in het geval sprake zou zijn geweest van een werkstage of proefcontract moest appellant melden dat hij deze werkzaamheden ging verrichten. Met het enkel informeren van een medewerker van het dagelijks bestuur over het voornemen om bij de kapperszaak te gaan werken heeft appellant niet voldaan aan de inlichtingenverplichting.

Uitspraak

SAMENVATTING

24/74 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 4 december 2024, 23/1353 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante) beiden te [woonplaats]

het dagelijks bestuur van Senzer (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 23 juli 2024

Het gaat in deze zaak om een intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van 12 november 2022 tot en met 30 november 2022, omdat appellant niet heeft gemeld dat hij op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Appellant is het daar niet mee eens. Het betrof volgens hem een werkstage en hij dacht dat hij het dagelijks bestuur hier pas van op de hoogte hoefde te stellen als hij een contract en inkomsten zou krijgen. Hij had het dagelijks bestuur bovendien wel verteld dat hij van plan was hier te gaan werken. De Raad is van oordeel dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden omdat hij het dagelijks bestuur niet duidelijk heeft laten weten dat hij deze werkzaamheden ging verrichten. Het hoger beroep slaagt daarom niet.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R. Akkaya, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellanten ontvingen vanaf 1 maart 2016 bijstand naar de gehuwdennorm op grond van de Participatiewet (PW).

Naar aanleiding van een melding dat appellant meerdere voertuigen heeft aangeschaft en op vakantie naar Turkije was gegaan, heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. De sociale recherche heeft onder meer bankafschriften bij appellanten opgevraagd, waarnemingen verricht gedurende de periode van 14 november 2022 tot en met 13 december 2022 bij een kapperszaak en op 15 december 2022 een gesprek met appellant gevoerd. De bevindingen van het onderzoek staan in een rapport van 4 januari 2023.

Met een besluit van 20 december 2022 heeft het dagelijks bestuur de bijstand ingetrokken met ingang van 12 november 2022. Aan dit besluit heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft gemeld dat hij op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte. Appellanten hebben hiertegen geen bezwaar gemaakt.

Met een besluit van 18 januari 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 24 april 2023 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur de kosten van bijstand over de periode van 12 november 2022 tot en met 30 november 2022 van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van € 795,25 bruto. Aan het besluit heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft gemeld dat hij op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte bij een kapperszaak.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

Het standpunt van appellanten

3. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de terugvordering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

De te beoordelen periode loopt van 12 november 2022 tot en met 30 november 2022.

Appellanten hebben aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden. De werkzaamheden die appellant verrichtte bij de kapperszaak waren niet op geld waardeerbaar, het was een onbetaalde werkstage. Pas als hij geschikt bevonden werd voor het werk zou hij een arbeidsovereenkomst krijgen. Appellant was in de veronderstelling dat hij pas een melding van zijn werkzaamheden hoefde te doen als hij een contract zou hebben en inkomsten zou krijgen. Aangezien het in dit geval om proefdraaien ging, ging hij ervan uit dat hij dit nog niet hoefde te melden. Hij had ook al eerder stage gelopen en dat had toen geen invloed op zijn uitkering en inkomsten. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van betekenis.

Appellanten hebben geen bezwaar gemaakt tegen het intrekkingsbesluit, zodat dat besluit formele rechtskracht heeft gekregen. Zoals de rechtbank ook heeft overwogen, heeft de formele rechtskracht alleen betrekking op de met dat besluit tot stand gebrachte rechtsgevolgen voor de bijstandsverlening en niet mede op oordelen van feitelijke en juridische aard die daaraan ten grondslag hebben gelegen. De schending van de inlichtingenverplichting moet daarom wel in het kader van deze zaak worden beoordeeld.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de PW doet de belanghebbende aan het dagelijks bestuur, op verzoek of onverwijld uit eigen beweging, mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

Het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden is een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de bedoeling waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of daaruit daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Hierbij is gelet op artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de PW, niet alleen van belang het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij/zij redelijkerwijs kan beschikken. Het gaat dus om activiteiten waar normaliter een beloning tegenover staat of die de betrokkene daarvoor redelijkerwijs kan bedingen of om activiteiten waarmee op een andere manier inkomsten kunnen worden verworven. Dit is vaste rechtspraak.

Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.2.3 waren de werkzaamheden die appellant bij de kapperszaak verrichtte op geld waardeerbaar en moest appellant hiervan dus melding maken bij het dagelijks bestuur. Ook in het geval sprake zou zijn geweest van een werkstage of proefcontract moest appellant, ongeacht of hij eerder werkstages met behoud van uitkering heeft verricht, melden bij het dagelijks bestuur dat hij deze werkzaamheden ging verrichten.

Appellant heeft ook aangevoerd dat hij, voordat hij met de werkstage begon, het dagelijks bestuur wel had geïnformeerd over zijn voornemen om daar te gaan solliciteren en werken. Daarmee heeft hij aan zijn inlichtingenverplichting voldaan. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van betekenis.

Uit de ‘Rapportage trajectverloop’ volgt dat de gesprekken met appellant hebben plaatsgevonden op 25 oktober 2022 en 2 november 2022. Op 25 oktober 2022 heeft appellant gezegd dat hij ging solliciteren bij de kapperszaak. Met het enkel informeren van een medewerker van het dagelijks bestuur over het voornemen om bij de kapperszaak te gaan werken heeft appellant niet voldaan aan de inlichtingenverplichting. Het was op dat moment namelijk nog niet concreet of en, zo ja, wanneer de werkzaamheden zouden starten. Op 2 november 2022 heeft de medewerker met appellant afgesproken dat hij eerst de uitslag van het onderzoek in het ziekenhuis af zou wachten voordat hij bij de kapperszaak zou gaan werken. Uit het dossier blijkt wel dat er nadien regelmatig contact was tussen de medewerker en appellant onder meer over de onderzoeken in het ziekenhuis. Maar nergens blijkt uit dat appellant heeft gezegd dat hij met de werkzaamheden is gestart.

Uit hetgeen is overwogen onder 4.2 tot en met 4.3.1 volgt dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door van de werkzaamheden bij het dagelijks bestuur geen melding te maken. Het dagelijks bestuur heeft als gevolg hiervan terecht de bijstand over de periode van 12 november 2022 tot en met 30 november 2022 teruggevorderd.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgen appellanten geen vergoeding voor hun proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.M.P. Jacobs, in tegenwoordigheid van M. Zwart als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2024.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Participatiewet

Artikel 17, eerste lid

De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

(…)

Artikel 31, eerste lid

Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijze kan beschikken.

(…)

Artikel 32, eerste lid

Onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze:

a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid (…)

Artikel 54, derde lid

Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. (…)

Artikel 58, eerste lid

Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?