OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als behandelfunctionaris bij de Belastingdienst voor 35,86 uur per week. Op 11 maart 2019 heeft hij zich ziekgemeld voor dit werk met (psychische) gezondheidsklachten.
Nadat appellant een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft aangevraagd, heeft een onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft appellant vier maanden na de datum einde wachttijd gezien op het spreekuur en heeft daarom besloten de belastbaarheid zoals eind 2020 door de bedrijfsarts is geduid als leidraad te nemen voor de beoordeling van de situatie per 8 maart 2021, te weten geen benutbare mogelijkheden. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk.
De verzekeringsarts heeft vervolgens vastgesteld dat bij appellant per datum van de beoordeling (8 juli 2021) geen sprake (meer) is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. Wel heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 27 september 2021. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 67,56%. Het Uwv heeft bij besluit van 25 oktober 2021 aan appellant met ingang van 8 maart 2021 een WIA-uitkering toegekend, berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 67,56%.
Bij brief van 16 november 2021 heeft het Uwv appellant bericht dat hij met ingang van 8 juli 2021 67,56% arbeidsongeschikt wordt geacht. Over de periode van 8 maart 2021 tot 8 juli 2021 wordt appellant 100% arbeidsongeschikt beschouwd. Vanwege het door appellant ingediende bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderzoek verricht, inclusief een spreekuurcontact, waarna zij een expertise heeft laten verrichten door psychiater N.J. de Mooij. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het expertiserapport van De Mooij van 18 mei 2022 bij de beoordeling betrokken en zijn bevindingen hierover neergelegd in het rapport van 20 mei 2022. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies onverminderd geschikt zijn voor appellant en de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd vastgesteld op 67,56%. Bij besluit van 30 mei 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit 25 oktober 2021 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische belastbaarheid van appellant op 8 juli 2021 op inhoudelijk overtuigende wijze zonder tegenstrijdigheden gemotiveerd en toegelicht waarom het oordeel van de verzekeringsarts in stand kan blijven. De diagnoses van de psychiater komen overeen met de diagnoses van zowel de primaire verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Omdat appellant zijn standpunt dat hij meer beperkt is dan wordt aangenomen niet met nieuwe medische informatie heeft onderbouwd, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien te twijfelen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde medische belastbaarheid van appellant. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar het oordeel van de rechtbank voldoende toegelicht waarom per einde wachttijd wel en per 8 juli 2021 geen sprake was van geen benutbare mogelijkheden. De rechtbank heeft in wat appellant heeft aangevoerd geen reden gezien de geschiktheid van de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies in twijfel te trekken. Het Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht besloten aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen omdat hij per 8 juli 2021 voor 67,56% arbeidsongeschikt is.
Het standpunt van appellant
Appellant is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat het onbegrijpelijk is dat hij per 8 juli 2021 67,56% arbeidsongeschikt is, terwijl de verzekeringsarts bezwaar en beroep per 8 maart 2021 heeft vastgesteld dat sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid. Dit, terwijl de situatie van appellant is verslechterd. Appellant is bekend met veel en diverse psychische klachten, waaronder in elk geval PTSS, depressieve klachten en een somatische symptoomstoornis en posttraumatische pijn. Ook is appellant bekend met diabetes, te hoog cholesterol en het prikkelbare darmsyndroom. Uit de overgelegde medische informatie blijkt dat alle klachten van appellant hevig zijn. Uit de psychiatrische expertise blijkt dat sprake is van pijnklachten in hoofd, nek, rug, linkerschouder en rechterknie en vermoeidheidsklachten. De conclusie uit het psychologisch onderzoek vermeldt duidelijk dat appellant volledig is vastgelopen en dat hij en zijn partner met veel externe hulp niet in staat zijn zelfstandig te functioneren. De situatie van appellant is veel complexer dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen en er is sprake van elkaar versterkende factoren. Appellant is aangewezen op meer intensieve en langdurige zorg en er is sprake van een te lage belastbaarheid voor het volgen van een CIR-traject voor het aanpakken van de chronische pijn. Gelet hierop zijn de geselecteerde functies voor appellant niet geschikt. In beroep kan worden volstaan met de reeds beschikbare medische informatie indien deze informatie aanleiding geeft twijfel te zaaien aan het oordeel van het Uwv. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte geconcludeerd dat de medische belastbaarheid van appellant op 8 juli 2021 door de verzekeringsarts overtuigend en zonder tegenstrijdigheden is gemotiveerd.
Het standpunt van het Uwv
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit tot vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 67,56% in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van de gronden in beroep. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
Appellant heeft in hoger beroep geen medische informatie ingebracht die aanleiding geeft voor een ander oordeel. Appellant heeft zijn standpunt, dat zijn situatie veel complexer is dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is ingeschat, niet onderbouwd. Niet gebleken is uit medisch objectiveerbare stukken dat sprake is van veel meer klachten en beperkingen. Hoewel de Raad begrijpt dat voor appellant voorop staat wat hij zelf voelt en ervaart, gaat het bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling, zoals hier aan de orde, om beperkingen die een medisch objectiveerbaar gevolg zijn van ziekte. De subjectieve beleving van appellant is daarom niet doorslaggevend. Het Uwv ontkent niet dat appellant veel klachten ervaart en beperkingen heeft. Daarom is een FML opgesteld. Dat neemt niet weg dat van een medisch objectieve onderbouwing voor het aannemen van daarop aanvullende beperkingen niet is gebleken. Zonder afbreuk te willen doen aan de door appellant ervaren impact van zijn klachten op het dagelijks leven, ziet de Raad in wat hij heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de medische onderbouwing van het bestreden besluit.
Uitgaande van de juistheid van de beperkingen in de FML van 27 september 2021 heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de geselecteerde functies voor appellant geschikt zijn. De overwegingen van de rechtbank worden onderschreven. Wat appellant heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.
Conclusie en gevolgen
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de WIA-uitkering aan appellant, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid 67,56 %, in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van L.B. Vrugt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2024.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) L.B. Vrugt