18/5189 WAJONG-R
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak tot rectificatie van de uitspraak van de Raad van 29 februari 2024, 18/5189 Wajong
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)
Datum uitspraak: 25 juli 2024
PROCESVERLOOP
Bij brief van 7 maart 2024 heeft appellante verzocht de uitspraak van 29 februari 2024 te rectificeren, omdat daarin niet is beslist op het in de brief van 3 januari 2023 gedane verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad heeft partijen bij brief van 27 mei 2024 meegedeeld voornemens te zijn de uitspraak te rectificeren. In de genoemde brief is aan partijen meegedeeld dat zij binnen vier weken schriftelijk kunnen reageren op het voornemen van de Raad tot rectificatie van de uitspraak.
Appellante heeft niet gereageerd binnen de in de brief van 27 mei 2024 gestelde termijn van vier weken. Het Uwv heeft bij brief van 31 mei 2024 aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de rectificatie.
OVERWEGINGEN
De Raad wijzigt de uitspraak van 29 februari 2024, 18/5189 Wajong als volgt.
Als partij wordt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) toegevoegd.
Na overweging 5.4 van de uitspraak worden de volgende overwegingen aan de uitspraak toegevoegd:
“5.5. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.
Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 30 mei 2017 van het bezwaarschrift van appellante tot de datum van deze uitspraak zijn 6 jaar en bijna 8 maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv ruim 2 maanden geduurd. Vanaf de ontvangst door de rechtbank op 10 november 2017 van het beroepschrift van appellante heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank ruim 10 maanden geduurd. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst door de Raad op 27 september 2018 van het hoger beroepschrift van appellante tot de datum van deze uitspraak 5 jaar en ruim 5 maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn is geschonden door de Raad. In de omstandigheden van het geval is geen aanleiding om deze overschrijding geheel of ten dele gerechtvaardigd te achten. Dit leidt tot een schadevergoeding van 6 maal € 500,-, dit is € 3.000,-.
Het onder 5.6 en 5.7 overwogene leidt tot het oordeel dat de Staat dient te worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante ten bedrage van € 3.000,-.
Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellante in deze schadeprocedure. Deze kosten worden begroot op € 437,50 voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met wegingsfactor 0,5).”
Overweging 7 wordt als volgt gewijzigd:
“7. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor de proceskosten in het hoger beroep en voor het betaalde griffierecht.”
De nieuwe beslissing gaat luiden:
“BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Aan deze uitspraak tot rectificatie is een gerectificeerd exemplaar van de oorspronkelijke uitspraak gehecht. De gerectificeerde uitspraak zal worden gepubliceerd op rechtspraak.nl.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep rectificeert zijn uitspraak van 29 februari 2024 als in de overwegingen is weergegeven.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2024.
(getekend) E.J.J.M. Weyers
(getekend) S. Pouw