OVERWEGINGEN
Samenvatting
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellant per 15 december 2021 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Hij heeft aangevoerd dat het Uwv ten onrechte geen beperkingen heeft aangenomen voor de in bezwaar aan de beoordeling toegevoegde diagnose PTSS. Verder heeft appellant aangevoerd dat het Uwv er bij het opstellen van de functionele mogelijkheden ten onrechte van is uitgegaan dat er geen sprake is van neuropathie. Appellant acht zich vanwege zijn lichamelijke en psychische klachten niet in staat om de maatgevende arbeid te vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat de rechtbank het door appellant ingestelde beroep terecht ongegrond heeft verklaard.
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als basismedewerker WSW voor 24 uur per week. Op 18 november 2019 heeft hij zich ziekgemeld met voetklachten en psychische klachten. Nadat appellant een aanvraag om een WIA-uitkering bij het Uwv had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 december 2021. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant geschikt is voor zijn laatste werk. Het Uwv heeft bij besluit van 10 januari 2011 geweigerd appellant met ingang van 15 december 2021 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
In de bezwaarfase hebben een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een
arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderzoek gedaan en rapporten opgesteld. Het Uwv heeft op basis hiervan geen aanleiding gezien voor wijziging van zijn standpunt.
Uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv een zorgvuldig onderzoek heeft verricht. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv de medische beperkingen van appellant correct heeft vastgesteld.
De primaire arts heeft in de FML rekening gehouden met klachten als gevolg van PTSS. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat in de FML voldoende rekening is gehouden met de psychische klachten door beperkingen vast te leggen ten aanzien van stresserende factoren in arbeid en sociale omgang met anderen, voor onjuist te houden. De verklaring van het Sinaï-centrum die appellant heeft ingediend, maakt dit niet anders omdat deze geen betrekking heeft op de medische situatie van appellant op de datum in geding.
In reactie op het standpunt van appellant dat hij meer beperkingen heeft vanwege pijnklachten als gevolg van polyneuropathie aan beide voeten, heeft de rechtbank gewezen op informatie van neuroloog dr. L. Wieske van 15 oktober 2021. Deze arts heeft bij onderzoek geen aanwijzingen voor polyneuropathie gezien. Appellant heeft gewezen op de informatie van de huisarts die wel spreekt van neuropathie. Omdat de huisarts alleen de klachten noemt en geen medisch objectiveerbare oorzaak van de klachten heeft vermeld, mocht de verzekeringsarts bezwaar en beroep van de rechtbank meer waarde hechten aan het onderbouwde onderzoeksresultaat van de neuroloog.
De rechtbank heeft geen reden gezien om aan te nemen dat appellant, gelet op zijn
beperkingen, op de datum in geding zijn eigen werk niet zou kunnen verrichten. Dat de
arbeidsdeskundige geen contact heeft gehad met de eigen teamleider van appellant, geeft de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de arbeidsdeskundige onvoldoende inzicht heeft gehad in de werkzaamheden, de werkomstandigheden en de belasting in het eigen werk van appellant. Van belang is dat er contact is geweest met een andere teamleider WSW. Deze teamleider heeft een uitgebreide beschrijving van de inhoud van het werk van appellant gegeven en appellant heeft deze beschrijving niet bestreden.
Het hoger beroep van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit om de WIA-uitkering te weigeren in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
Appellant heeft aangevoerd dat zijn psychische beperkingen niet goed zijn vastgesteld. Hij stond ten tijde van de beoordeling op een wachtlijst voor behandeling. Er was al in de jaren negentig sprake van klachten als gevolg van traumatische ervaringen. Dat appellant pas na de datum in geding onder behandeling is gekomen bij het Sinaï-centrum, is daarom volgens appellant niet relevant. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Bij de beoordeling van de WIA-aanvraag is vastgesteld dat er bij appellant sprake is van mentale problemen en een belaste mentale voorgeschiedenis. Daarom wordt appellant niet in staat geacht om met stresserende omstandigheden in het persoonlijk functioneren om te gaan en is hij aangewezen op werk dat niet veel wisselt in omstandigheden en inhoud, waarbij hij niet voortdurend gestoord wordt en waarbij hij alleen op laag/productieniveau met deadlines hoeft om te gaan. Ook is appellant beperkt in het hanteren van emotionele problemen van anderen, het omgaan met conflicten en kan hij klantencontact alleen kort en oppervlakkig aan. Daarnaast is appellant niet in staat om te gaan met hulpbehoevenden en patiënten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 22 juli 2022 PTSS als diagnose toegevoegd. Op basis van eigen onderzoek heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat met de in de primaire fase vastgestelde beperkingen in rubriek 1 en 2 voldoende rekening is gehouden met appellants psychische beperkingen. Het oordeel van de rechtbank dat er geen aanleiding is om dit standpunt voor onjuist te houden, wordt onderschreven.
Appellant heeft verder aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte aan de verklaring van neuroloog Wieske over de voetklachten meer waarde heeft toegekend dan aan de verklaring van de huisarts. Een huisarts heeft doorgaans een lange en intensieve behandelrelatie met zijn patiënten en heeft als gevolg daarvan goed zicht op wat er daadwerkelijk aan de hand is met een patiënt. Appellant wijst erop dat er vanwege de informatie die hij heeft ingebracht reden is voor twijfel aan de beoordeling van het Uwv. Daarom verzoekt appellant de Raad om een deskundige te benoemen. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de huisarts zich voornamelijk heeft uitgelaten over de klachten van appellant terwijl de neuroloog een gericht onderzoek beschrijft op grond waarvan hij tot de conclusie komt dat geen sprake is van polyneuropathologie. De arts van het Uwv heeft – omdat er bij onderzoek aanwijzingen waren voor pijnproblematiek aan de voeten – in de FML enkele beperkingen opgenomen voor voetbelasting. Appellant heeft zijn standpunt in hoger beroep dat dit onvoldoende is niet met medische gegevens onderbouwd. Er is dan ook geen aanleiding voor twijfel aan de FML op dit punt.
Uit 4.4 en 4.5 volgt dat er geen aanleiding bestaat voor het benoemen van een deskundige. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.
Arbeidskundige beoordeling
Appellant heeft herhaald dat de arbeidsdeskundige niet heeft gesproken met de eigen leidinggevende van appellant en dat daardoor wellicht waardevolle informatie over de inhoud en belasting van zijn eigen werk ten onrechte niet is meegewogen in de besluitvorming. Wat hij daarover aanvoert, heeft hij ook in beroep bij de rechtbank naar voren gebracht. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de maatmanarbeid in medisch opzicht geschikt is.
Conclusie en gevolgen
5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van S.C. Scholten als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2024.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) S.C. Scholten
Bijlage
Artikel 5 van de Wet WIA
Gedeeltelijk arbeidsgeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA
De beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.