Datum uitspraak: 19 september 2024
24/828 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54, in verbinding met de artikelen 8:108 en 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 februari 2024, 22/2810
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
het bestuur van Stichting Openbaar Onderwijs Amsterdam-Zuidoost Sirius , thans de Stichting Zonova (stichting)
PROCESVERLOOP
Met een uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 4 mei 2023 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 juni 2022 vernietigd, omdat de rechtbank ten onrechte op het door verzoekster ingediende herzieningsverzoek van 4 oktober 2021 heeft beslist. De Raad heeft het herzieningsverzoek in behandeling genomen als een verzoek om de uitspraak van de Raad van 29 juli 2010te herzien. Dit herzieningsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoekster heeft tegen de uitspraak van de Raad van 4 mei 2023 verzet gedaan. Dit verzet heeft de Raad ongegrond verklaard met de uitspraak van 28 februari 2024. In de voorliggende procedure heeft verzoekster bij brief van 4 maart 2024 verzocht om herziening van die verzetsuitspraak.
OVERWEGINGEN
Verzoekster heeft, kort samengevat, het volgende naar voren gebracht. Volgens verzoekster heeft de Raad ten onterechte geoordeeld dat het herzieningsverzoek van 4 oktober 2021 onredelijk laat is ingediend en had dit verzoek toegewezen moeten worden.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
Volgens vaste rechtspraak dient het bijzondere rechtsmiddel van herziening er niet toe om een hernieuwde discussie over de desbetreffende uitspraak te voeren of te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen. Dit kan alleen indien is voldaan aan de strikte, cumulatieve voorwaarden die hierboven zijn vermeld.
De Raad stelt vast dat verzoekster geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die vóór de uitspraak van 28 februari 2024 hebben plaatsgevonden, die bij haar vóór die uitspraak niet bekend waren en die haar redelijkerwijs ook niet bekend konden zijn, zoals bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Verzoekster beoogt een hernieuwde discussie over de zaak te voeren. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat het middel van herziening daar niet voor bedoeld is.
Het verzoek om herziening moet om die reden worden afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door Y. Sneevliet, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2024.
(getekend) Y. Sneevliet
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.