ECLI:NL:CRVB:2024:1831

ECLI:NL:CRVB:2024:1831, Centrale Raad van Beroep, 25-09-2024, 22/3174 WIA

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 25-09-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/3174 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Proceskostenveroordeling. Intrekking hoger beroep. Het bestuursorgaan is volledig tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant. Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.

Proceskosten

Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met het nieuwe besluit op bezwaar van 19 januari 2024 volledig aan zijn bezwaren tegemoet is gekomen.

De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken. Deze kosten worden, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.312,50 in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 0,5 punt voor de reactie op het besluit van 17 juli 2023, met een waarde per punt van € 875,-) voor verleende rechtsbijstand. Ook de kosten die appellant heeft gemaakt voor het laten opmaken van het rapport van WPEX tot een bedrag van in totaal € 4.265,25, komen voor vergoeding in aanmerking. De totale proceskostenvergoeding bedraagt dus € 5.577,75.

Ook moet het Uwv het in hoger beroep door appellant betaalde griffierecht vergoeden.

Schending redelijke termijn

Voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM geldt het volgende.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

Als de intrekking van het hoger beroep plaatsvindt na een tegemoetkomend besluit dan eindigt de redelijke termijn op het moment waarop het tegemoetkomend besluit is bekendgemaakt.

In dit geval heeft de procedure vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van appellant door het Uwv op 17 december 2018 tot de bekendmaking van het tegemoetkomende besluit op 19 januari 2024 vijf jaar en één maand geduurd. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met dertien maanden overschreden, wat leidt tot een schadevergoeding van € 1.500,-.

Van het totale tijdsbeloop heeft de behandeling van het bezwaarschrift tot de eerste beslissing op bezwaar van 19 december 2019 twaalf maanden geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase is zes maanden. De overschrijding van de redelijke termijn bij de bestuursrechter is zeven maanden. De overschrijding van de redelijke termijn is dus zowel aan het Uwv als aan de bestuursrechter toe te rekenen. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van het Uwv onderscheidenlijk de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 692,- (6/13 deel van € 1.500,-). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 808,- (7/13 deel van € 1.500,-).

4. In verband met het verzoek om schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn bestaat aanleiding het Uwv en de Staat ieder voor de helft te veroordelen in de proceskosten van appellant ter zake van dat verzoek. De kosten worden totaal begroot op

€ 437,50 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het verzoek met een wegingsfactor van 0,5 en een waarde per punt van € 875,-). Daarvan komt

€ 218,75 voor rekening van het Uwv en € 218,75 voor rekening van de Staat.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 5.796,50;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 808,-;

- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 692,-;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 218,75;

- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van het door appellant betaalde griffierecht van € 136,-.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2024.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) M.D.F. de Moor

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?