ECLI:NL:CRVB:2024:2153

ECLI:NL:CRVB:2024:2153, Centrale Raad van Beroep, 05-11-2024, 23/1071 PW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 05-11-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 23/1071 PW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0015703

Samenvatting

Afwijzing aanvraag om bijstand. Hoofdverblijf en bijstandbehoevendheid niet aannemelijk gemaakt. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Hoofdverblijf op opgegeven adres is niet aannemelijk. Aankoopfacturen van meubels zijn onvoldoende om hoofdverblijf aannemelijk te maken. Appellant heeft onvoldoende inzicht gegeven in hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien.

Uitspraak

SAMENVATTING

23/1071 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 3 maart 2023, 22/3186 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (college)

Datum uitspraak: 5 november 2024

In deze zaak gaat het om een afwijzing van een aanvraag om bijstand. Volgens het college heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Zo heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres, heeft hij onvoldoende inzicht gegeven in hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien voorafgaand aan de aanvraag en heeft hij onvoldoende inzicht gegeven in zijn financiële situatie na de aanvraag. Appellant is het daar niet mee eens. De Raad is van oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.G. Wattilete, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 24 september 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wattilete. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van der Wal.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellant heeft op 2 september 2021 een aanvraag om bijstand ingediend bij het college op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande met als gewenste ingangsdatum 1 september 2021. Daarbij heeft hij opgegeven dat hij woont op het adres X (opgegeven adres) in [woonplaats] .

Het college heeft een onderzoek verricht naar de woon- en leefsituatie van appellant. Appellant heeft op verzoek van het college bankafschriften verstrekt. Op 11 oktober 2021 heeft een gesprek tussen het college en appellant plaatsgevonden en heeft het college aansluitend een huisbezoek op het opgegeven adres verricht. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 14 oktober 2021.

Het college heeft met een besluit van 19 oktober 2021 de aanvraag afgewezen. Op verzoek van het college heeft appellant na bezwaar nadere stukken verstrekt, waaronder een verklaring van zijn huisarts, getuigenverklaringen van buren, bankafschriften en aankoopfacturen.

Het college heeft met een besluit van 12 mei 2022 (bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellant onvoldoende informatie heeft gegeven over zijn woon- en leefsituatie, over de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien voorafgaand aan de bijstandsaanvraag en over zijn financiële situatie van na de aanvraag. Hij heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is appellant er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij bijstandbehoevend is. De bevindingen bij het huisbezoek wijzen er niet op dat appellant op dat adres zijn hoofdverblijf heeft. Zo bevond zich ten tijde van het huisbezoek in zijn woning geen kleding of administratie en was het (nog in plastic verpakte) matras niet gebruikt. De verklaringen van de buren die appellant heeft overgelegd, waarin staat dat appellant vanaf februari 2021 op het betreffende adres woonde, zijn strijdig met een latere verklaring van appellant dat hij tot juli/augustus 2021 bij zijn broer verbleef. De verklaring van een vriend – die op 8 km afstand woont – dat hij appellant dagelijks tegenkomt in het trapportaal of in de buurt is niet aannemelijk. Appellant heeft ook geen gebruik gemaakt van de gelegenheid die hem tijdens de hoorzitting in bezwaar is geboden om gegevens van energie- en watergebruik over te leggen. De woonsituatie is daarmee onduidelijk gebleven. Het college heeft zich daarnaast terecht op het standpunt gesteld dat appellant onvoldoende inzicht heeft gegeven in de manier waarop hij voor zijn aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Onweersproken staat vast dat de afschriften van de spaarrekening niet zijn ingediend. Verder heeft appellant wisselend verklaard over bedragen die hij geleend heeft en heeft hiervan geen enkel verifieerbaar stuk ter onderbouwing overgelegd.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regel die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

De te beoordelen periode loopt van 2 september 2021 tot 19 oktober 2021.

Appellant heeft aangevoerd dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bijstandbehoevend is. De waarnemingen die gedaan zijn tijdens het huisbezoek kunnen niet leiden tot het oordeel dat appellant niet woonachtig zou zijn in de door hem gehuurde woning. Er moet gekeken worden naar objectieve gegevens, zoals de aankoopfacturen van meubels waaruit blijkt dat hij veel in de woning heeft geïnvesteerd. Hij is in juli 2021 in de woning gaan wonen en tot die tijd is hij bezig geweest met voorbereidingen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarbij is het volgende van belang.

Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. De bijstandverlenende instantie heeft een onderzoeksplicht. Dat brengt mee dat deze de inlichtingen van de aanvrager op juistheid en volledigheid moet controleren. Als de aanvrager niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag.

Wat appellant aanvoert is grotendeels een herhaling van wat appellant in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. Appellant heeft in hoger beroep geen reden gegeven waarom die uitleg volgens hem onjuist of onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd en neemt deze overwegingen over. Hij voegt daaraan nog toe dat het feit dat uit bonnen en aankoopfacturen blijkt dat appellant meubels heeft aangekocht onvoldoende zegt over het al dan niet hebben van hoofdverblijf op het opgegeven adres, mede gezien in het licht van de andere feiten en omstandigheden.

Het college heeft de aanvraag al op deze grond terecht afgewezen. De Raad zal daarom de beroepsgronden die zien op hoe appellant heeft voorzien in zijn levensonderhoud voor de aanvraag en op de financiële situatie van appellant na de aanvraag niet bespreken.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van N.B. Yalcinkaya als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2024.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

De griffier is verhinderd te ondertekenen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regel

Artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet

Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?