23/1287 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 27 januari 2022, 20/1731 WAO
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 4 december 2024
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of er aanleiding bestaat terug te komen van een eerdere uitspraak van de Raad.
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft eerder verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad in de zaak, geregistreerd onder nummer 20/1731 WAO, van 27 januari 2022. Bij uitspraak van 19 oktober 2022 heeft de Raad dit verzoek afgewezen.
Bij op 1 maart 2023 bij de Raad ingekomen brief heeft verzoeker het onderhavige verzoek om herziening van de uitspraak van 27 januari 2022 ingediend. Verzoeker heeft op 1 en 25 mei 2023, 12 en 13 juni 2023, 5 juni 2024 en 10 oktober 2024 zijn verzoek aanvullend onderbouwd. Het Uwv heeft een reactie gegeven op het verzoek.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 september 2023. Verzoeker is verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Hierna is het onderzoek ter zitting geschorst. De Raad heeft het onderzoek hervat op een zitting van 6 november 2024. Verzoeker is verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Voor de van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de hiervoor vermelde uitspraak van 27 januari 2022.
2. Bij de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht stond in de eerste plaats de vraag centraal of de vordering van verzoeker om schadevergoeding vanwege in het verleden door de rechtsvoorgangers van het Uwv gemaakte fouten bij het vaststellen van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering verjaard is. De Raad heeft die vraag bevestigend beantwoord. Daartoe heeft de Raad, kort gezegd, overwogen dat verzoeker niet heeft aangetoond dat na 16 oktober 2008 tijdig stuitingshandelingen hebben plaatsgevonden en dat hij daarom niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat de verjaring is gestuit.
3. Verzoeker heeft in zijn verzoek om herziening, kort samengevat, aangevoerd dat een andere rechter het eerste verzoek om herziening had moeten behandelen. Ook is volgens verzoeker dat de door hem gestelde pensioenschade ten onrechte niet behandeld. Verzoeker heeft ter onderbouwing daarvan gewezen op onder meer stukken van het Ministerie van Defensie, het ABP en USZO.
Het oordeel van de Raad
Op grond van artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Volgens vaste rechtspraak is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.
De grond dat een andere rechter zijn verzoek om herziening zou moeten behandelen heeft verzoeker op de zitting van 7 september 2023 niet langer gehandhaafd, zodat deze niet zal worden besproken.
Wat verzoeker overigens heeft aangevoerd komt erop neer dat hij vindt dat de Raad in de uitspraak van 27 januari 2022 de feiten onjuist heeft vastgesteld en onjuist heeft geoordeeld. Hij heeft daarbij geen feiten of omstandigheden genoemd als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb, dat wil zeggen feiten of omstandigheden die hem vóór de uitspraak van 27 januari 2022 niet bekend waren en hem voorafgaand aan die uitspraak ook niet redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. Er is dus niet voldaan aan de voorwaarden voor herziening. Hieruit volgt dat het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 27 januari 2022 moet worden afgewezen.
Conclusie en gevolgen
5. Het verzoek om herziening wordt afgewezen. Dit betekent dat niet van de uitspraak van de Raad van 27 januari 2022 wordt teruggekomen.
6. Omdat het verzoek wordt afgewezen krijgt verzoeker geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2024.
(getekend) C.F.E. van Olden-Smit
(getekend) C.M. Snellenberg