ECLI:NL:CRVB:2024:535

ECLI:NL:CRVB:2024:535, Centrale Raad van Beroep, 13-03-2024, 23/486 WIA

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 13-03-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 23/486 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 4 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0004045 BWBR0005537 BWBR0006358 BWBR0019057

Samenvatting

Weigering toekenning IVA-uitkering per 1 september 2020 omdat de volledige arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is. Inschatting. Herstelkansen. Verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. Geen nieuwe medische stukken ingediend.

Uitspraak

SAMENVATTING

23/486 WIA

Datum uitspraak: 13 maart 2024

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

27 januari 2023, 22/676 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om aan appellant per 1 september 2020 een IVA-uitkering toe te kennen, omdat de volledige arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is. Volgens appellant zijn de beperkingen duurzaam. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen IVA-uitkering, maar een WGA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 december 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. van Dijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. De Jong.

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellant is werkzaam geweest als meewerkend voorman groenvoorziening voor 35,86 uur per week. Op 12 februari 2019 heeft hij zich ziekgemeld. Appellant ontving op dat moment een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 10 februari 2020 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Bij besluit van 16 september 2020 heeft het Uwv het bezwaar dat appellant hiertegen heeft gemaakt ongegrond verklaard. De rechtbank Noord-Nederland heeft het beroep van appellant tegen dit besluit bij uitspraak van 26 mei 2021 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 19 april 2023 heeft de Raad deze uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Op 15 januari 2021 heeft appellant bij het Uwv gemeld dat zijn medische klachten zijn toegenomen en dat een nieuwe rughernia is vastgesteld. Appellant ontving op dat moment een WW-uitkering. Bij besluit van 3 juni 2021 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 14 januari 2021 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zijn belastbaarheid niet is gewijzigd. Met het besluit van 4 februari 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 3 juni 2021 herroepen en appellant met ingang van 1 september 2020 een WGA-uitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100% en tevens niet duurzaam wordt beschouwd. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van een zorgvuldig medisch onderzoek en de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend heeft gemotiveerd dat geen sprake is van duurzaamheid. De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat aan de toegenomen beperkingen die tot volledige arbeidsongeschiktheid hebben geleid, de hernia ten grondslag ligt. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is in dit verband gekozen voor een expectatief beleid dat tegenwoordig gebruikelijk is, mede omdat een hernia in de meeste gevallen spontaan geneest. Dat betekent volgens hem dat de toegenomen beperkingen naar verwachting binnen één tot twee jaar zullen afnemen en mogelijk zelfs verdwijnen. De rechtbank heeft overwogen dat appellant de keuze voor een expectatief beleid niet heeft bestreden. Verder heeft zij overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 28 maart 2022 overtuigend heeft gemotiveerd dat de brief van de revalidatiearts van 31 januari 2022 geen reden geeft voor een ander standpunt. Die heeft opgemerkt dat de revalidatiearts naast chronische aspecifieke rugklachten de HNP L5-S1 heeft benoemd. Volgens hem mag verwacht worden dat de belastbaarheid geleidelijk zal toenemen door de geleidelijke afname van de negatieve invloed van de hernia, door natuurlijk beloop. Als herstel langer dan een jaar uitblijft zou volgens hem alsnog een operatieve interventie kunnen worden uitgevoerd.

Het hoger beroep van appellant

Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellant blijkt uit de beschikbare informatie van de behandelend sector dat het behandelbeleid niet gericht is op herstel of verbetering van de belastbaarheid, maar alleen op pijnreductie. Dit impliceert dat sprake is van een duurzame medische situatie. Bovendien heeft het Uwv hem ingaande 31 december 2022 alsnog een IVA-uitkering toegekend op basis van dezelfde rugklachten, waarbij een hernia geen rol heeft gespeeld.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de toekenning van een WGA-uitkering aan appellant in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.

Niet in geschil is dat appellant volledig arbeidsongeschikt is. Gelet op de door partijen ingenomen standpunten, ligt de vraag voor of de arbeidsongeschiktheid van appellant op de datum in geding, 1 september 2020, al moet worden geacht volledig en duurzaam te zijn.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009 geoordeeld dat de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Hier wordt het volgende aan toegevoegd.

Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische stukken ingediend die een ander licht werpen op het perspectief van zijn medische situatie per 1 september 2020. Dat het Uwv hem ingaande 31 december 2022 alsnog een IVA-uitkering heeft toegekend, vormt gezien het tijdsbestek geen aanleiding om dit anders te zien, maar is een uiting dat het in 2020 nog aanwezige perspectief niet is bewaarheid.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om per 1 september 2020 een IVA-uitkering aan appellant toe te kennen in stand blijft.

6. Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van L.B. Vrugt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2024.

(getekend) J.D. Streefkerk

(getekend) L.B. Vrugt

Bijlage

Artikel 4 van de Wet WIA

1. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

2. In het eerste lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie.

3. Onder duurzaam wordt mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

Artikel 47, eerste lid, van de Wet WIA

Recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat voor de verzekerde die ziek wordt indien:

a. hij de wachttijd heeft doorlopen;

b. hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is; en

c. er op hem geen uitsluitingsgrond van toepassing is.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?