ECLI:NL:CRVB:2024:783

ECLI:NL:CRVB:2024:783, Centrale Raad van Beroep, 18-04-2024, 22/3824 WARZO

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 18-04-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/3824 WARZO
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001888

Samenvatting

Hoger beroep niet-ontvankelijk. Geen procesbelang.

Uitspraak

SAMENVATTING

22/3824 WARZO

Datum uitspraak: 18 april 2024

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 november 2022, 21/5051 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Het gaat in deze zaak om de intrekking van het recht op een eerder toegekende WAZO-uitkering. Het Uwv heeft in hoger beroep besloten de onverschuldigd betaalde WAZO-uitkering niet terug te vorderen. De Raad oordeelt dat appellante geen actueel procesbelang meer heeft bij de beoordeling van haar hoger beroep.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.B.B. Beelaard, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 maart 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Beelaard en haar echtgenoot [echtgenoot] . Het Uwv is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Op 8 juli 2020 is namens appellante door [echtgenoot] , eigenaar van [naam bedrijf] en echtgenoot van appellante, een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) aangevraagd. Bij besluit van 20 juli 2020 heeft het Uwv geweigerd appellante een WAZO-uitkering toe te kennen omdat zij niet verzekerd is voor de Ziektewet. Bij besluit van 18 november 2020 heeft het Uwv alsnog een WAZO-uitkering toegekend aan appellante voor de periode van 12 juli 2020 tot 1 november 2020.

Naar aanleiding van een interne melding heeft het Uwv onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellante betaalde uitkering. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een onderzoeksrapport van 10 februari 2021. In dit rapport is op basis van de verkregen onderzoeksgegevens geconcludeerd dat er mogelijk sprake was van een gefingeerd dienstverband tussen appellante en [naam bedrijf] .

Op basis van de bevindingen van het onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 1 maart 2021 het recht op WAZO-uitkering van appellante per 12 juli 2020 ingetrokken omdat sprake was van een gefingeerd dienstverband bij werkgever [werkgever] / [naam bedrijf] vanaf 1 juni 2020. Bij besluit van 17 maart 2021 heeft het Uwv de over de periode van 13 juli 2020 tot en met 1 november 2020 onverschuldigd betaalde WAZO-uitkering tot een bedrag van € 16.200,- van appellante teruggevorderd.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het intrekkingsbesluit van 1 maart 2021. Bij besluit van 7 juli 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv het standpunt dat sprake was van een gefingeerd dienstverband deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank volgt niet het standpunt van appellante dat het Uwv onzorgvuldig heeft gehandeld door de uitkering eerst toe te kennen terwijl het onderzoek nog niet was afgerond. Dat het Uwv gedurende het onderzoek is overgegaan tot het verstrekken van de uitkering, maakt niet dat het Uwv op een later moment – na afronding van het onderzoek – de uitkering niet meer kan intrekken. Voor zover appellante hiermee een beroep doet op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, slaagt dit niet. Een eventuele onjuiste beoordeling door het Uwv kan er volgens de rechtbank immers niet toe leiden dat ook voor de toekomst een met de wet strijdige situatie blijft voortbestaan. Het Uwv heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat het argument van appellante dat de loonbetalingen pas in december konden worden gedaan na ontvangst van de WAZO-uitkering geen afdoende verklaring vormt. De WAZO-uitkering werd immers naar de gezamenlijke rekening van appellante en haar echtgenoot overgemaakt en niet doorgestort naar de bedrijfsrekening van [naam bedrijf] , terwijl de loonbetalingen wel vanuit [naam bedrijf] werden gedaan. De door appellante overgelegde verklaring van een consultant die stelt appellante telefonisch een korte periode vanaf juli 2020 te hebben begeleid, noopt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Niet valt in te zien waarom die verklaring pas in beroep is overgelegd. Ook hetgeen appellante verder nog heeft aangevoerd brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

Het standpunt van appellante

Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellante heeft het Uwv onzorgvuldig en in strijd met de rechtszekerheid gehandeld door eerst, na onderzoek, een uitkering toe te kennen en deze later weer in te trekken. Verder blijkt volgens appellante uit het onderzoeksrapport van 10 februari 2021 niet van een gefingeerd dienstverband. Appellante heeft ook tegenbewijs geleverd waaruit het bestaan van een dienstverband blijkt.

Hangende hoger beroep heeft het Uwv bij besluit van 27 februari 2023 het terugvorderingsbesluit van 17 maart 2021 ingetrokken. De onverschuldigd betaalde WAZO-uitkering tot een bedrag van € 16.200,- wordt niet meer van appellante teruggevorderd. Het intrekkingsbesluit van 1 maart 2021 en het bestreden besluit zijn wel gehandhaafd. Het Uwv heeft onder verwijzing naar de intrekking van het terugvorderingsbesluit het standpunt ingenomen dat appellante in verband met het ontbreken van een procesbelang niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar hoger beroep.

Desgevraagd heeft appellante zich bij brief van 25 januari 2024 op het standpunt gesteld dat zij nog steeds belang heeft bij een oordeel over het (gefingeerde) dienstverband.

Het oordeel van de Raad

De Raad ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of appellante een procesbelang heeft bij de beoordeling van haar hoger beroep. De Raad tekent hierbij aan dat hij deze vraag ook, ambtshalve, zou moeten beantwoorden als het Uwv het procesbelang van appellante niet ter discussie zou hebben gesteld.

Volgens vaste rechtspraak is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.

Appellante heeft aangevoerd dat haar procesbelang is gelegen in het veiligstellen van haar pensioenaanspraak. Ter zitting heeft haar echtgenoot verklaard dat hij appellante heeft aangemeld bij StiPP Pensioenfonds. Bewijsstukken hiervan zijn echter niet door appellante ingebracht en uit de salarisspecificaties kan niet worden afgeleid dat sprake was van een pensioenafdracht. Van een eventuele pensioenaanspraak is dan ook niet gebleken, zodat hierin geen procesbelang kan zijn gelegen.

Appellante heeft verder aangevoerd dat haar procesbelang is gelegen in verzekeringsrechtelijke aanspraken, specifiek haar aanspraak op een Ziektewetuitkering. Appellante stelt dat zij tijdens en na afloop van haar WAZO-uitkering ziek is geweest tot en met december 2022. Op 3 februari 2021 heeft zij zich bij het Uwv ziekgemeld met als ingangsdatum 17 juli 2020. Vanwege het voor de WAZO-uitkering aangenomen gefingeerde dienstverband komt zij niet in aanmerking voor een Ziektewetuitkering. Ook dit standpunt is niet onderbouwd met bijvoorbeeld een bewijs van de ziekmelding. Het ter zitting gedane bewijsaanbod in de vorm van een ontvangstbevestiging van de ziekmelding bij het Uwv laat de Raad buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde. De Raad stelt daarbij vast dat het besluit van 1 maart 2021 en het bestreden besluit uitsluitend zien op de WAZO-uitkering. Het Uwv heeft dit in een schrijven van 21 februari 2024 ook bevestigd. Appellante kan haar aanspraak op een Ziektewetuitkering aan de orde stellen in een procedure over de Ziektewet. Daarbij kan een eventueel tegengeworpen gefingeerd dienstverband in volle omvang aan de orde worden gesteld.

Onder deze omstandigheden ziet de Raad niet in welk resultaat, dat voor appellante feitelijke betekenis heeft, zij met deze procedure nu nog kan bereiken. Appellante heeft daarom geen actueel procesbelang (meer) bij een beoordeling van haar hoger beroep.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet omdat het beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

5. Omdat het hoger beroep niet-ontvankelijk is, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en M.L. Noort en L.A. Kjellevold als leden, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 april 2024.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) S. Pouw

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?