23/2076 WIA
Datum uitspraak: 1 mei 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 juni 2023, 22/2710 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om aan appellant per 1 september 2021 een IVA-uitkering toe te kennen, omdat de volledige arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is. Volgens appellant zijn de beperkingen duurzaam. De Raad komt tot het oordeel dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd dat de beperkingen niet duurzaam zijn.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. U. Özcan, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 maart 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Özcan. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. I.M. Veringmeier.
OVERWEGINGENInleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Bij besluit van 26 juli 2021 heeft het Uwv appellant met ingang van 1 september 2021 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 59,84%.
Bij besluit van 16 maart 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard en appellant per 1 september 2021 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. Aan dit besluit ligt een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 maart 2022 ten grondslag. Appellant is volgens het Uwv volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt.
Uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Volgens de rechtbank is het medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig verricht. Er is kennis genomen van het dossier en de gronden in bezwaar van appellant. De door appellant ingebrachte medische informatie is bij de beoordeling meegewogen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volgens de rechtbank op een zorgvuldige en duidelijke wijze alle naar voren gebrachte klachten betrokken bij de beoordeling en de rechtbank heeft geen reden gezien om aan te nemen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aspecten van de medische situatie van appellant heeft gemist. Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen informatie heeft opgevraagd bij de GGMD, maakt het onderzoek volgens de rechtbank niet onzorgvuldig omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie heeft opgevraagd bij de behandelend psychiater en het de deskundigheid van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is om te bepalen in welke gevallen en bij welke behandelaars informatie dient te worden opgevraagd en in welke situaties dit achterwege kan blijven.
Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapporten van 1 maart 2022 en 30 augustus 2022 volgens de rechtbank voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van duurzaamheid en dat een verbetering binnen een jaar dan wel in het jaar daarna verwacht mag worden.
Het standpunt van appellant
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat uit de brief van de behandelend psychiater J.M.T. Gravendeel van 25 januari 2022 of uit andere medische documenten niet valt te herleiden dat sprake is van een behandeling die voldoende verbetering van de klachten zal geven. Daarbij heeft de rechtbank volgens appellant totaal geen aandacht besteed aan de stukken die hij bij het beroep heeft overgelegd. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte geen informatie opgevraagd bij de GGMD.
Het standpunt van het Uwv
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de toekenning van een WGA-uitkering aan appellant in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Niet in geschil is dat appellant volledig arbeidsongeschikt is. Gelet op de door partijen ingenomen standpunten, ligt de vraag voor of de arbeidsongeschiktheid van appellant op de datum in geding, 1 september 2021, moet worden geacht volledig en duurzaam te zijn, zodat appellant op grond van artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA- in plaats van een WGA-uitkering.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009, geoordeeld dat de verzekeringsarts zich een oordeel moet vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 1 maart 2022 en 30 augustus 2022 het standpunt ingenomen dat er nog behandelmogelijkheden zijn nu uit de brief van de psychiater volgt dat de mogelijke behandeling bij de GGMD voor oorsuizen nog moet starten. Met deze behandeling kan naar verwachting verbetering van de klachten optreden omdat de tinnitus een onderliggend probleem is waardoor de ernst van de depressie niet wordt dan wel niet kan worden aangepakt. In het rapport van 19 oktober 2023 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep dit standpunt herhaald en vermeld dat na verbetering van de tinnitus de depressie adequaat kan worden behandeld. De volledige arbeidsongeschiktheid is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dan ook niet duurzaam.
De Raad heeft het Uwv in het licht van het beoordelingskader zoals dat onder 4.2 is weergegeven verzocht om een nadere motivering van het standpunt dat de eventuele behandelmogelijkheden nog tot een meer dan geringe kans op verbetering van de functionele belastbaarheid van appellant zullen leiden. Met het rapport van 8 februari 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in essentie herhaald dat na de verbetering van de tinnitus de depressie adequaat kan worden behandeld en dat dit volgt uit de informatie van de behandelend psychiater. De GGMD heeft zoals blijkt een behandelprogramma voor tinnitus. Na voldoende verbetering van het depressieve beeld is geen sprake meer van een toestand die leidt tot een marginale belastbaarheid. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is dit al met al voldoende om op de datum in geding, 1 september 2021, niet uit te gaan van volledige duurzame arbeidsongeschiktheid.
De Raad volgt de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet in zijn standpunt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in de brief van de behandelend psychiater van 25 januari 2022 is vermeld dat uit onderzoek is gebleken dat bij persisterend oorsuizen de depressie waarvoor patiënten primair in zorg komen, weinig of niet verbetert op medicatie omdat het onderliggend probleem wat bijdraagt aan de ernst van het oorsuizen niet wordt dan wel niet kan worden aangepakt, mede omdat het (nog) niet zichtbaar of toegankelijk voor behandeling is door de ernst van de depressie. Anders dan het Uwv heeft vermeld volgt hieruit niet – of is onvoldoende duidelijk – dat de tinnitus het onderliggende probleem is en dat na verbetering van de tinnitus de depressie adequaat kan worden behandeld. De enkele vermelding dat er een behandelprogramma van de GGMD voor tinnitus bestond, wat tijdens een volgende behandelafspraak met appellant zou worden besproken, is daartoe onvoldoende. Bovendien is niet duidelijk geworden of de psychiater het volgen van dit behandelprogramma als een reële behandelmogelijkheid zag voor appellant. Ook heeft de psychiater met appellant gesproken over een mogelijke verwijzing naar een neuroloog, vooral om een neurodegeneratief ziektebeeld uit te sluiten. Wat deze verwijzing zou kunnen betekenen voor een eventuele behandeling en welke gevolgen dit zou kunnen hebben voor de belastbaarheid van appellant, wordt door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het geheel niet besproken. Het had op de weg van het Uwv gelegen om met inachtneming van de informatie van de behandelend psychiater aanvullend onderzoek te doen naar de eventuele behandel(on)mogelijkheden en de gevolgen hiervan voor appellant. Nu dit niet is gebeurd, zal de Raad het Uwv opdracht geven om dit alsnog te doen.
Conclusie en gevolgen
5. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. De Raad verklaart het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt het Uwv op om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van wat in 4.5 is overwogen. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat beroep tegen de nieuw te nemen beslissing op bezwaar slechts bij de Raad kan worden ingesteld. Dit oordeel betekent dat het Uwv opnieuw moet beoordelen of de volledige arbeidsongeschiktheid van appellant ook duurzaam is.
6. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten voor de appellant verleende rechtsbijstand worden begroot op € 875,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift met een waarde per punt van € 875,-) en op € 1.750,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,-), in totaal € 2.625,-. Ook moet het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 16 maart 2022 gegrond en vernietigt dat besluit;
- draagt het Uwv op binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.625,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 186,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van R. Jansen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2024.
(getekend) T. Dompeling
(getekend) R. Jansen