ECLI:NL:CRVB:2025:1046

ECLI:NL:CRVB:2025:1046, Centrale Raad van Beroep, 07-07-2025, 23/230 PW-V

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 07-07-2025
Datum publicatie 12-08-2025
Zaaknummer 23/230 PW-V
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Verzet
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2022:6228
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 5 zaken
Aangehaald door 1 zaken
8 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002656 BWBR0005537 BWBR0006358 BWBR0007335 BWBR0011353 BWBR0015703 BWBR0015711 BWBR0018450

Samenvatting

Uitspraak op verzet. Ten onrechte niet beslist op verzoek om proceskostenveroordeling. Verzoekster had reeds voorafgaand aan de intrekking van het incidenteel hoger beroep door het college ter zitting van 4 juni 2024 al in de zienswijze verzocht het college te veroordelen in de proceskosten. Dat uit het proces-verbaal van de zitting van 4 juni 2024 niet blijkt dat daar nogmaals om is verzocht, doet daar niet aan af. De Raad had dan ook in de uitspraak van 16 juli 2024 dat verzoek in behandeling moeten nemen. Het verzet is in zoverre gegrond en de uitspraak van de Raad van 2 oktober 2024 vervalt. Alsnog zal op het rectificatieverzoek moeten worden beslist.

Uitspraak

Datum uitspraak: 7 juli 2025

23/230 PW-V

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzet in verband met het (incidenteel) hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 oktober 2022, BRE 21/671 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom (college)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 16 juli 2024 uitspraak gedaan in het hoger beroep van verzoekster dat was gericht tegen de aangevallen uitspraak. In een uitspraak van 2 oktober 2024 heeft de Raad het daarop volgende verzoek van verzoekster om het college alsnog te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Gemachtigde van verzoekster, [ gemachtigde] , heeft verzet ingediend. Het verzet is in behandeling genomen op de zitting van 26 mei 2025. Voor verzoekster zijn verschenen haar gemachtigde, [naam 1] en [naam 2] . In verzet heeft verzoekster aangevoerd dat in de zienswijze in het incidentele hoger beroep van het college reeds om proceskostenvergoeding is gevraagd en dat de gemachtigde op de zitting van 4 juni 2024 ook nogmaals daarop heeft gewezen. Ter zitting zou van de zijde van de Raad zijn medegedeeld dat het goed zou komen.

OVERWEGINGEN

Op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:108 Awb, is de Raad bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken. In een geval als het onderhavige waarin incidenteel hoger beroep is ingesteld, moeten proceshandelingen die het incidentele hoger beroep betreffen, voor de toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb op eenzelfde wijze worden behandeld als proceshandelingen met betrekking tot het principale hoger beroep.Dit brengt als hoofdregel mee dat indien het bestuursorgaan gedurende de hogerberoepsprocedure het door hem ingestelde incidentele hoger beroep intrekt, de Raad het bestuursorgaan moet veroordelen in de proceskosten van de belanghebbende die op de voet van artikel 8:75 Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:108 Awb, in verband met de behandeling van het incidentele hoger beroep voor vergoeding in aanmerking komen.

Verzoekster had reeds voorafgaand aan de intrekking van het incidenteel hoger beroep door het college ter zitting van 4 juni 2024 al in de zienswijze verzocht het college te veroordelen in de proceskosten. Dat uit het proces-verbaal van de zitting van 4 juni 2024 niet blijkt dat daar nogmaals om is verzocht, doet daar niet aan af. De Raad had dan ook in de uitspraak van 16 juli 2024 dat verzoek in behandeling moeten nemen.

Het verzet slaagt in zoverre. Gelet op de aard van het verzoek was het niet gericht op een afzonderlijke uitspraak over proceskosten, maar was het gericht op een rectificatie van de uitspraak van de Raad van 16 juli 2024 op het punt waarin op de proceskosten van verzoekster niet is beslist. Dit betekent dat het verzet gegrond wordt verklaard en de uitspraak van de Raad van 2 oktober 2024 vervalt. Alsnog zal op het rectificatieverzoek moeten worden beslist.

Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling van het verzet. Die kosten worden bepaald op een half punt voor het indienen van het verzet en een half punt voor het verschijnen ter zitting, in totaal één punt, dus € 907,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van N. El Khabazi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2025.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) N. El Khabazi

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?