SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 juli 2023, 21/6927 en 21/8316 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
Datum uitspraak: 11 november 2025
Het college heeft de aanvragen van appellante om bijzondere bijstand voor de kosten van fysiotherapie en voor de kosten van een bril afgewezen, omdat er een voorliggende voorziening is (artikel 15, eerste lid, van de Participatiewet (PW)), er geen sprake is van zeer dringende redenen (artikel 16, eerste lid, van de PW) en appellante niet voldoet aan de voorwaarden om op grond van het gemeentelijk beleid voor bijzondere bijstand in aanmerking te komen. Appellante is het daar niet mee eens. Zij krijgt in hoger beroep gelijk wat betreft de kosten van fysiotherapie voor haar rug- en nekklachten. Zij heeft voor deze kosten op grond van het gemeentelijk beleid recht op bijzondere bijstand in de vorm van een lening. Wat betreft de kosten van de fysiotherapeut voor littekentherapie en de kosten voor een bril krijgt appellante geen gelijk.
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 8 april 2025. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Buizert.
De Raad heeft partijen na afloop van de zitting schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is heropend in afwachting van een uitspraak van de grote kamer van de Raad (grote kamer).
De grote kamer heeft op 15 mei 2025 uitspraak gedaan. De Raad heeft deze uitspraak aan partijen toegezonden en gevraagd welke gevolgen deze uitspraak in hun ogen heeft voor deze zaken. Het college heeft gereageerd.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een nader onderzoek ter zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen een nadere zitting wel nodig vinden. Appellante heeft hierop om een nadere zitting gevraagd.
De Raad heeft de zaken daarom op een nadere zitting van 30 september 2025 behandeld. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Ameziane en mr. Buizert.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante ontvangt sinds 2003 bijstand, laatstelijk op grond van de PW, naar de norm voor een alleenstaande. Appellante is via Menzis verzekerd tegen ziektekosten. Zij is niet aanvullend verzekerd.
Kosten van de fysiotherapeut voor littekentherapie
Appellante heeft op 10 juni 2021 een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor de kosten van de fysiotherapeut voor littekentherapie. Met een besluit van 11 augustus 2021 (besluit 1), na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 18 oktober 2021 (bestreden besluit 1), heeft het college deze aanvraag afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) een voorliggende voorziening is als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de PW. Aan de voorwaarden om desondanks tot verlening van bijzondere bijstand over te gaan, die zijn gesteld in de Leidraad Individuele Bijzondere Bijstand 2022 (Leidraad), voldoet appellante niet. Verder is niet gebleken van zeer dringende redenen om tot bijstandverlening over te gaan, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW.
Kosten van fysiotherapie voor rug- en nekklachten en voor de aanschaf van een bril
Op 10 september 2021 heeft appellante bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van fysiotherapie voor rug- en nekklachten en voor de aanschaf van een bril. Met afzonderlijke besluiten van 28 september 2021 (besluiten 2 en 3), na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 6 december 2021 (bestreden besluit 2), heeft het college deze aanvraag afgewezen. Hieraan heeft het college dezelfde motivering ten grondslag gelegd als aan bestreden besluit 1.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten over de afwijzing van de aanvragen om bijzondere bijstand voor de kosten van fysiotherapie en de kosten voor de aanschaf van een bril in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep gedeeltelijk slaagt. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van de hoger beroepen belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Kosten van de fysiotherapeut voor littekentherapie (bestreden besluit 1)
Niet in geschil is dat de Zvw een voorliggende voorziening is en dat artikel 15, eerste lid, van de PW daarom aan bijstandverlening in de weg staat.
Appellante voert aan dat vanwege haar gezondheidsklachten sprake is van zeer dringende redenen om in dit geval toch bijzondere bijstand toe te kennen, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Zeer dringende redenen als bedoeld in deze bepaling doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Dit is vaste rechtspraak. Een acute noodsituatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Een acute noodsituatie doet zich voor als het niet-verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. De wetgever heeft bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ gedacht aan een extreme situatie en heeft nadrukkelijk niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Dit volgt uit eerdere rechtspraak.
Appellante doet met haar beroep op artikel 16, eerste lid, van de PW een beroep op de uitzondering op de hoofdregel van artikel 15, eerste lid, van de PW. Daarom moet appellante aannemelijk maken dat aan de voorwaarden voor die uitzondering is voldaan. Dit volgt uit vaste rechtspraak. Appellante is daarin niet geslaagd. Met de enkele stelling dat zij gezondheidsklachten heeft, heeft appellante immers niet aannemelijk gemaakt dat in haar geval sprake is van een acute noodsituatie zoals uitgelegd in 4.2.1.
Appellante voert daarnaast aan dat het college, bij de beoordeling of zij op grond van het in de Leidraad opgenomen beleid toch voor toekenning van bijzondere bijstand in aanmerking komt, ten onrechte heeft betrokken dat zij niet aanvullend is verzekerd voor ziektekosten. Weliswaar moet op grond van het beleid het wel of niet afsluiten van een aanvullende verzekering die past bij de medische situatie worden meegenomen bij de beoordeling van een aanvraag, maar voor appellante is het niet mogelijk zich aanvullend te verzekeren.
De Raad stelt vast dat het college gemotiveerd heeft weersproken dat het voor appellante niet mogelijk is zich aanvullend voor ziektekosten te verzekeren. Appellante heeft haar stelling op dit punt niet verder onderbouwd. Al om deze reden slaagt de beroepsgrond niet.
Kosten van fysiotherapie voor rug- en nekklachten en voor de aanschaf van een bril (bestreden besluit 2)
Appellante heeft wat betreft de kosten van fysiotherapie voor rug- en nekklachten en de kosten voor de aanschaf van een bril dezelfde gronden aangevoerd als wat betreft de kosten van de fysiotherapeut voor littekentherapie. De beoordeling zoals weergegeven in 4.1 tot en met 4.3.1 is ook hier van toepassing. De beroepsgronden slagen dus niet.
Het college heeft naar aanleiding van vragen van de Raad ter zitting erkend dat appellante op grond van de Leidraad in aanmerking komt voor bijzondere bijstand in de vorm van een lening voor de kosten van fysiotherapie voor haar rug- en nekklachten, tot een bedrag van € 420,-. Hierbij is van belang dat deze behandeling volgt op een ongeval van appellante en dat zij het ongeval, de fysiotherapeutische behandeling en de daarmee samenhangende kosten niet had kunnen voorzien. De gevolgen van dit nadere standpunt komen in 5.1 aan de orde.
Conclusie en gevolgen
Uit het in 4.5 weergegeven nadere standpunt van het college volgt dat het college bestreden besluit 2 niet handhaaft voor zover het gaat om de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van fysiotherapie voor de rug- en nekklachten. Het hoger beroep slaagt daarom. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd voor zover de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond heeft verklaard wat betreft de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van fysiotherapie voor rug- en nekklachten. De Raad zal het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaren, bestreden besluit 2 in zoverre vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en het besluit van 28 september 2021 (besluit 2) herroepen. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en bepalen dat appellante recht heeft op bijzondere bijstand in de vorm van een lening tot een bedrag van € 420,-.
De Raad kent appellante een proceskostenvergoeding toe van € 27,60 voor haar reiskosten. Dit is gebaseerd op reizen met het openbaar vervoer voor de zitting in hoger beroep, tweede klas.
Daarnaast krijgt appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht terug.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door J.J. Janssen in tegenwoordigheid van N. El Khabazi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2025.
(getekend) J.J. Janssen
(getekend) N. El Khabazi
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en beleidsregels
Participatiewet
Artikel 15, eerste lid
Geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.
Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.
Artikel 16, eerste lid
Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
Leidraad Individuele Bijzondere Bijstand 2022 van de gemeente Den Haag
6.1.1 Algemeen Medische kosten
Het is de verantwoording van de aanvrager om een verzekering te nemen die bij zijn of haar
medische situatie past. Als een aanvrager medisch noodzakelijke kosten maakt die niet (volledig) worden vergoed door de verzekering, dan kan de gemeente besluiten bijzondere bijstand te verstrekken. Er moet dan wel een uitputtend beroep worden gedaan op de voorliggende voorzieningen.
Voorliggende voorzieningen
Tot de voorliggende voorzieningen behoren in ieder geval de WLZ en de zorgverzekering (basis en aanvullend). Er wordt vanuit gegaan dat iedereen voldoende besef van verantwoordelijkheid toont door zich (aanvullend) te verzekeren. Het is daarbij niet van belang of dit de aanbieder van de collectieve zorgverzekering betreft (VGZ), of een andere zorgverzekering.
[…]
Geen aanvullende verzekering
[…] Is men niet aanvullend verzekerd, dan kan bijzondere bijstand worden verstrekt als lening, tot maximaal de hoogte van het bedrag wat door de collectieve zorgverzekeringen VGZ wordt vergoed.
[…]
Het wel of niet afsluiten van een aanvullende verzekering die past bij de medische situatie van de aanvrager moet meegenomen worden bij de beoordeling van een aanvraag. […]