SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 mei 2024, 22/7712 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
Datum uitspraak: 11 november 2025
Het gaat in deze zaak om de afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet (PW) voor verhuis- en inrichtingskosten. Aan de afwijzing van de aanvraag ligt ten grondslag dat de verhuizing niet noodzakelijk was en dat de met de verhuizing samenhangende kosten dan ook niet kunnen worden aangemerkt als noodzakelijke kosten. Volgens appellante was de verhuizing wel noodzakelijk en zij beroept zich ook op het vertrouwensbeginsel. Het hoger beroep slaagt niet.
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 september 2025. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Ameziane en mr. E.H. Buizert.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante ontvangt sinds 2003 bijstand op grond van de PW naar de norm voor een alleenstaande.
Op 12 april 2022 heeft appellante een aanvraag bij het college ingediend om bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten.
Met een besluit van 24 mei 2022 heeft het college de aanvraag afgewezen. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.
Met een besluit van 31 oktober 2022 (bestreden besluit) heeft het college het besluit in stand gelaten. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd, voor zover hier van belang, dat appellante de noodzaak van de verhuizing niet aannemelijk heeft gemaakt, zodat de uit deze verhuizing voortvloeiende kosten niet als noodzakelijk kunnen worden aangemerkt. Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank – samengevat – het volgende overwogen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verhuizing noodzakelijk was. Het is niet komen vast te staan dat haar woning zulke mankementen vertoonde dat deze woning onbewoonbaar was. De verklaring van de [naam stichting] is daarvoor onvoldoende, omdat uit die verklaring niet blijkt dat de [naam stichting] onderzoek heeft gedaan in het huis. Ook is niet aannemelijk geworden dat appellante vanwege haar medische omstandigheden moest verhuizen. Uit de gegevens van de cardioloog en die van de longarts blijkt niet dat zij een verband leggen tussen de gezondheidsklachten van appellante en haar woonsituatie. Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft aangevoerd dat sprake was van een noodzakelijke verhuizing. Haar woning was onbewoonbaar door allerlei mankementen, zoals verzakking van de woning en vocht. Ook door de multidisciplinaire medische aandoeningen was zij genoodzaakt te verhuizen. Daarnaast was er sprake van geluidsoverlast. Verder is appellante toentertijd in overleg getreden met een ambtenaar bij de gemeente Den Haag, die haar heeft bevestigd dat zij in aanmerking zou komen voor verhuiskosten als zij een woning zou vinden. Vertrouwend op deze toezegging heeft zij een nieuwe woning geaccepteerd en is zij verhuisd.
Het oordeel van de Raad
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel berust. Wat betreft het beroep op het vertrouwensbeginsel voegt de Raad daar nog het volgende aan toe. Appellante stelt dat een bepaalde ambtenaar van de gemeente haar zou hebben toegezegd dat zij haar verhuiskosten vergoed zou krijgen, maar het college heeft in de gemeentelijke systemen geen ambtenaar kunnen vinden met de naam die appellante hierbij heeft genoemd. Appellante heeft verder ook niet onderbouwd dat een ambtenaar bij de gemeente Den Haag haar heeft toegezegd dat zij de verhuiskosten vergoed zou krijgen.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om toekenning van bijzondere bijstand in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J. Janssen in tegenwoordigheid van N. El Khabazi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2025.
(getekend) J.J. Jansen
(getekend) N. El Khabazi