24/1657 ZW
Datum uitspraak: 13 november 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 7 juni 2024, 23/2027 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vragen of het Uwv appellant terecht een ZW-uitkering heeft geweigerd per 15 september 2021, omdat hij per deze datum niet arbeidsongeschikt wordt geacht en of de rechtbank terecht geen schadevergoeding heeft toegekend, omdat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Appellant heeft aangevoerd dat hij wel arbeidsongeschikt is en daarom recht heeft op een ZW-uitkering per 15 september 2021 en dat de rechtbank ten onrechte geen schadevergoeding heeft toegekend. De Raad volgt appellant niet in zijn standpunten en is met de rechtbank van oordeel dat het Uwv terecht geen ZWuitkering aan appellant heeft toegekend en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn terecht heeft afgewezen.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.J. Weldam, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak, gevoegd met de zaken 24/1666 WW en 24/1667 ZW, behandeld op een zitting van 21 augustus 2025. Namens appellant is mr. Weldam verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Daarna zijn de zaken weer gesplitst en wordt in de zaken 24/1666 WW en 24/1667 ZW afzonderlijk uitspraak gedaan.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant werkte vanaf 31 oktober 2020 bij [naam werkgeefster B.V.] (werkgeefster). Op 1 mei 2021 heeft appellant zich ziekgemeld voor deze werkzaamheden wegens psychische klachten. Vervolgens is werkgeefster in betalingsonmacht geraakt.
Op 6 september 2021 heeft appellant bij het Uwv een aanvraag ingediend om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 7 september 2021 heeft het Uwv appellant een WW-uitkering geweigerd per 6 september 2021, omdat appellant heeft verklaard dat hij ziek is.
Op 7 september 2021 heeft appellant bij het Uwv gemeld dat hij vanaf diezelfde datum ziek is. Bij besluit van 14 september 2021 heeft het Uwv appellant per 7 september 2021 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) geweigerd, omdat appellant niet verzekerd is op grond van de WW. Appellant heeft tegen de besluiten van 7 en 14 september 2021 bezwaar gemaakt.
Appellant is vanaf 27 oktober 2021 gedetineerd.
Bij twee afzonderlijke beslissingen op bezwaar van 31 december 2021 heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 7 en 14 september 2021 ongegrond verklaard.
Begin 2022 heeft appellant bij het Uwv een uitkering wegens betalingsonmacht aangevraagd op grond van hoofdstuk IV van de WW (faillissementsuitkering). Deze aanvraag is bij besluit van 23 februari 2022 buiten behandeling gesteld, omdat appellant niet het vereiste aanvraagformulier heeft ingevuld, en ook niet duidelijk is binnen welke termijn appellant dit alsnog kan indienen.
Op 13 juli 2022 is appellant wederom ziekgemeld per 1 mei 2021. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv bij brieven van 14 en 21 juli 2022 aan appellant gevraagd om contact op te nemen en meer informatie te verstrekken. Appellant heeft hierop niet gereageerd.
Nadat appellant alsnog het ingevulde aanvraagformulier aan het Uwv had toegestuurd, heeft het Uwv appellant bij besluit van 19 juli 2022 een faillissementsuitkering toegekend over de periode van 5 mei 2021 tot en met 14 september 2021.
Bij besluit van 1 augustus 2022 heeft het Uwv voor de tweede keer geweigerd appellant een ZW-uitkering toe te kennen wegens zijn ziekmelding per 1 mei 2021, ditmaal omdat het Uwv wegens het ontbreken van (medische) informatie niet kan vaststellen of appellant arbeidsongeschikt is. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Tijdens de bezwaarprocedure heeft appellant op 10 maart 2023 alsnog medische informatie verstrekt aan het Uwv. Deze informatie betreft een verklaring van een sociaal psychiatrisch verpleegkundige van 6 juli 2021 en informatie van de huisarts van 24 juli 2023 over de periode van 13 november 2020 tot en met 12 juli 2023.
Bij beslissing op bezwaar van 28 augustus 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 augustus 2022 ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van 23 augustus 2023 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. In dit rapport heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat er geen aanknopingspunten zijn om appellant per 15 september 2021 arbeidsongeschikt te achten. Hierbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep van belang geacht dat uit de informatie van 6 juli 2021 blijkt dat de klachten van appellant geen psychische stoornis vormen. Dit geldt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook voor de situatie van appellant per 15 september 2021, aangezien uit de informatie van de huisarts van 24 juli 2023 niet blijkt dat de psychische situatie van appellant sinds 6 juli 2021 is verslechterd.
De uitspraak van de rechtbank
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand gelaten. Daarbij heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in beroep en het door appellant betaalde griffierecht. Naar aanleiding van een door appellant in beroep overgelegd rapport van 5 december 2021 van een psychologisch onderzoek is de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 11 december 2023 teruggekomen van zijn eerdere standpunt dat bij appellant op de datum in geding geen sprake was van een psychische stoornis. Hierdoor berust het bestreden besluit in zoverre niet op een deugdelijke grondslag.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep met de rapporten van 23 augustus 2023 en 11 december 2023 voldoende overtuigend heeft gemotiveerd dat uit de door appellant overgelegde medische informatie niet blijkt dat hij op 15 september 2021 arbeidsongeschikt was. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierbij heeft betrokken dat appellant met zijn psychische aandoeningen tot 1 mei 2021 heeft gewerkt. Het rapport van 5 december 2021 heeft vooral betrekking op de situatie van appellant na de datum in geding en is opgesteld ter beantwoording van de vraag of appellant na zijn arrestatie op 27 oktober 2021 kon worden overgebracht naar een andere gevangenis. Uit het rapport blijkt niet of appellant rond de datum in geding kon werken. Omdat de rechtbank geen aanleiding heeft voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv, heeft de rechtbank het verzoek van appellant voor benoeming van een deskundige afgewezen.
Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank afgewezen omdat er op de datum van de uitspraak nog geen twee jaren zijn verstreken na de ontvangst van het bezwaarschrift van appellant op 10 maart 2023. Dat deze zaak een uitvloeisel is van de twee andere zaken van appellant die al eerder bij de rechtbank in behandeling zijn gekomen, is voor de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.
Het standpunt van appellant
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van het Uwv heeft gevolgd dat hij vanaf 1 mei 2021 niet arbeidsongeschikt is. Dat appellant tot 1 mei 2021 heeft gewerkt, betekent niet dat, voordat hij zich heeft ziekgemeld, zijn belastbaarheid niet al langere tijd werd overschreden. Appellant verzoekt ook in hoger beroep om benoeming van een onafhankelijke deskundige. Ter zitting bij de Raad heeft appellant aanvullend aangevoerd dat het medisch onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is geweest, omdat er geen spreekuurcontact heeft plaatsgevonden. Ten tweede heeft appellant in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de redelijke termijn is aangevangen met het bezwaarschrift van 10 maart 2023, gericht tegen het besluit van 1 augustus 2022. Volgens appellant is de onderhavige procedure een vervolg op twee eerdere procedures over de in 1.2 en 1.3 vermelde besluiten en dient daarom voor de aanvang van de redelijke termijn aansluiting te worden gezocht bij de bezwaarschriften van 7 oktober 2021 waarmee de redelijke termijn in die procedures is aangevangen.
Het standpunt van het Uwv
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit over de weigering van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten, en of de rechtbank terecht het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft afgewezen. De Raad beoordeelt dit aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.
Ter beoordeling ligt voor of het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat appellant per 15 september 2021 niet arbeidsongeschikt is in de zin van de ZW.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv met de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 augustus 2023 en 11 december 2023 voldoende heeft gemotiveerd dat appellant per 15 september 2021 niet arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 19 van de ZW. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het door appellant in beroep overgelegde psychologisch rapport van 5 december 2021 aanleiding gezien om zijn standpunt, dat er bij appellant op de datum in geding geen sprake is van psychiatrische aandoeningen, bij te stellen. Op basis van dit rapport is het volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zeer aannemelijk dat bij appellant op de datum in geding, 15 september 2021, sprake was van psychiatrische aandoeningen en dat hij hiervoor medicatie gebruikte. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is dit echter onvoldoende voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid. Hiervoor is bepalend of de belasting in het werk de belastbaarheid van appellant op de datum in geding overschrijdt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat in het psychologisch rapport van 5 december 2021 vooral de klachten zijn beschreven die te maken hebben met de arrestatie van appellant op 27 oktober 2021 en zijn angst voor een mogelijke overplaatsing naar een andere gevangenis. Uit het rapport blijkt dat de klachten van appellant zijn toegenomen sinds de arrestatie op 27 oktober 2021, maar het rapport bevat geen aanknopingspunten over de ernst van de klachten en de belemmeringen rond de datum in geding. Appellant heeft tot 1 mei 2021 met dezelfde aandoeningen gewerkt. Gelet op deze omstandigheden komt de verzekeringsarts bezwaar en beroep tot de conclusie dat het rapport van 5 december 2021 geen aanleiding geeft voor een ander standpunt over de belastbaarheid van appellant per 15 september 2021. De Raad kan dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen. Appellant heeft in hoger beroep geen nadere medische informatie overgelegd die aanleiding geeft voor twijfel aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de in het dossier aanwezige informatie kenbaar betrokken bij de beoordeling van de belastbaarheid van appellant. Niet gebleken is dat appellant rond de datum in geding in behandeling was voor zijn psychische klachten. Gelet op deze omstandigheden is er geen grond om appellant te volgen in zijn standpunt dat het medisch onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is geweest.
Omdat er geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling, wordt ook het verzoek van appellant om een deskundige te benoemen afgewezen.
Afwijzing verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de redelijke termijn op de datum van de aangevallen uitspraak, 7 juni 2024, nog niet is overschreden. Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat voor de aanvang van de redelijke termijn in deze procedure aangesloten zou moeten worden bij de aanvang van de redelijke termijn in de procedures met zaaknummers 24/1666 WW en 24/1667 ZW. Weliswaar houdt onderhavige procedure verband met de zaken 24/1666 WW en 24/1667 ZW, maar het is een op zichzelf staande procedure. In de onderhavige procedure is de redelijke termijn aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift tegen het besluit van 1 augustus 2022 op 9 maart 2023.
De redelijke termijn voor een procedure in twee instanties is in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar in beslag heeft genomen. Daarbij geldt dat in beginsel het bezwaar binnen een half jaar en het beroep binnen anderhalf jaar zouden moeten worden afgehandeld. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
In deze zaak betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 9 maart 2023 van het bezwaarschrift tot de datum van de uitspraak van de rechtbank op 7 juni 2024 zijn (naar boven afgerond) één jaar en drie maanden verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn niet is overschreden.
Conclusie en gevolgen
5. Uit de overwegingen 4.3.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de ZW-uitkering per 15 september 2021 in stand blijft. Ook heeft de rechtbank terecht het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van D. Kovac als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2025
(getekend) S. Wijna
De griffier is verhinderd te ondertekenen.