23/1481 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 4 april 2023, 21/1147 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak:13 november 2025
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 15 oktober 2020 heeft vastgesteld op 67,89%. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt en komt tot het oordeel dat de voorgehouden functies appellant niet kunnen worden voorgehouden.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E. Akdeniz, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 januari 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Akdeniz. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Heijnen-Veldman.
Na de zitting is het onderzoek heropend.
De Raad heeft verzekeringsarts R. Ouwens als onafhankelijk deskundige geraadpleegd.
De deskundige heeft op 19 augustus 2024 gerapporteerd.
Het Uwv hierop zijn zienswijze gegeven en het ingenomen standpunt gehandhaafd.
Bij rapport van 2 oktober 2024 heeft de deskundige aanvullend gerapporteerd.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, omdat partijen hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1. Appellant heeft voor het laatst gewerkt als machine operator voor 34,50 uur per week. Op 18 oktober 2018 heeft hij zich ziekgemeld met lichamelijke en psychische klachten. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 augustus 2020. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 42,75%. Het Uwv heeft bij besluit van 19 augustus 2020 aan appellant met ingang van 15 oktober 2020 een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet WIA toegekend.
In de bezwaarfase hebben een arts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderzoek gedaan en rapporten opgesteld. Er zijn aanvullende beperkingen opgenomen in een FML van 25 maart 2021. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft alle oorspronkelijk geselecteerde functies laten vervallen en nieuwe functies aan de schatting ten grondslag gelegd. Bij besluit van 6 april 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 67,89%.
Uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Met toepassing van artikel 6:22 van de Awb heeft de rechtbank het Uwv opgedragen de proceskosten van appellant en het griffierrecht te vergoeden.
De rechtbank heeft het onderzoek voldoende zorgvuldig geacht en ook op inhoudelijke gronden de beoordeling door het Uwv onderschreven. In dat verband heeft de rechtbank overwogen dat appellant in de fase van beroep een medische en arbeidskundige expertise heeft laten uitvoeren door een verzekeringsarts, P.J.A.J. van Amelsfoort en een arbeidsdeskundige, [naam], beiden verbonden aan Expertise Instituut. In een rapport van 23 juni 2022 komen zij tot de conclusie dat aanleiding bestaat meer beperkingen in de FML op te nemen en dat op grond daarvan slechts twee en daarmee onvoldoende passende functies resteren. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 10 januari 2023 een gewijzigde FML opgesteld waarin een aanvullende beperking is opgenomen voor het geknield of gehurkt actief zijn. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft bij rapport van 18 januari 2023 vastgesteld dat dit geen gevolgen heeft voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.
De rechtbank volgt appellant niet in zijn stelling dat de door Van Amelsfoort voorgestelde extra beperkingen volledig door het Uwv moeten worden overgenomen. De arts bezwaar en beroep heeft naar het oordeel van de rechtbank navolgbaar toegelicht dat de waarnemingen van Van Amelsfoort van de psychische toestand van appellant anders en fors afwijkend zijn van wat tijdens de hoorzitting in bezwaar is waargenomen. De arts bezwaar en beroep heeft aangegeven dat deze waarnemingen ook niet overeenkomen met de informatie van de behandelaars rond de datum in geding, 15 oktober 2020. De rechtbank komt op grond hiervan tot de conclusie dat de arts bezwaar en beroep voldoende heeft toegelicht dat het expertiseonderzoek van Van Amelsfoort en [naam] geen reden vormt om meer beperkingen aan te nemen dan in de FML van 10 januari 2023 is gedaan.
Het standpunt van appellant
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant acht zich volledig arbeidsongeschikt en stelt zich op het standpunt dat alle beperkingen die Van Amelsfoort heeft aangenomen volledig door het Uwv zouden moeten worden overgenomen.
Het standpunt van het Uwv
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Benoeming deskundige
Omdat bij de Raad twijfel is gerezen over de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, heeft de Raad Ouwens, Arts Arbeid en Gezondheid bij Ergatis (deskundige) benoemd als onafhankelijk deskundige. De deskundige heeft op 19 augustus 2024 een rapport uitgebracht. Hij heeft geconcludeerd dat bij appellant op de datum in geding sprake is geweest van een angst-/paniekstoornis en een depressieve stoornis, van linkerschouder- en heupklachten, en er aanwijzingen zijn voor een pijnsyndroom. De deskundige acht appellant verdergaand beperkt dan door het Uwv is aangenomen. Appellant was volgens de deskundige rond de datum in geding ernstig beperkt in de zelfverzorging, het samenlevingsverband en voor sociale contacten buiten het gezin. Daarmee is volgens de deskundige sprake van geen of slechts marginale belastbaarheid voor werk.
Het Uwv heeft in zijn zienswijze verwezen naar een rapport van 2 oktober 2024 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de deskundige – net als Van Amelsfoort – volledig gevaren op de subjectieve klachtenbeleving, waarbij het inactieve dagverhaal niet plausibel is met de aanwezige problematiek. Daarbij heeft de deskundige over het inactieve dagverhaal ook gezegd dat dit lastig voorstelbaar is. Dit laatste komt niet terug in de verzekeringsgeneeskundige weging. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat de deskundige heeft vermeld dat appellant stemmen hoort, terwijl er geen psychose is vastgesteld en er sprake kan zijn van acculturatie problematiek.
De deskundige heeft op 2 januari 2025 gereageerd op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 oktober 2024 en toegelicht dat de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen wijziging brengt in zijn eerdere conclusies. Wat betreft het inactieve dagverhaal van appellant, heeft hij niet gesproken over volledige inactiviteit van appellant, maar heeft hij, na de vaststelling dat volledige inactiviteit bij appellant lastig voorstelbaar is, met appellant en zijn dochter besproken wat appellant wel doet en dit in zijn rapport besproken en gewogen. Hij heeft beschreven wat appellant en zijn dochter hebben verteld, zonder hierop direct een diagnose, zoals psychose, te plaatsen. De deskundige heeft voorts uiteengezet dat op meerdere momenten in de stukken de (zeer) beperkte activiteiten zijn beschreven en dat zijn conclusies (ook) zijn gebaseerd op de medische informatie die zich in het dossier bevindt.
Het Uwv heeft in een nadere reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen dat tussen de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de deskundige een verschil van inzicht bestaat over de gevolgen van de aandoening(en) van appellant. Nu de depressieve klachten als matig zijn beschreven, is sprake van matige problemen in het sociaal functioneren en wordt de beschreven inactiviteit niet als plausibel ingeschat. Met de paniekklachten is voldoende rekening gehouden in de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep handhaaft zijn standpunt dat geen aanleiding bestaat om de conclusies van de deskundige te volgen.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid op 67,89% in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
Medische beoordeling
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. De deskundige heeft kennisgenomen van het gehele dossier en heeft appellant op 6 juni 2024 onderzocht. De deskundige heeft een uitgebreide anamnese uitgevraagd bij appellant en hem onderzocht. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent.
Het Uwv heeft de conclusie van de deskundige, dat appellant rond de datum in geding niet of nauwelijks belastbaar was voor werk, niet overgenomen. Daartoe heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zoals weergegeven in de rechtsoverwegingen 3.4 en 3.6, te kennen gegeven dat de gevolgen van de aandoeningen van appellant verschillend zijn gewogen door de deskundige en hem.
De deskundige heeft in zijn reactie van 2 januari 2025 gereageerd op de kanttekeningen die de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geplaatst bij zijn conclusies. De deskundige heeft gemotiveerd toegelicht dat zijn visie niet gebaseerd is op subjectieve gronden en er objectief medische gronden zijn om appellant verdergaand beperkt te achten dan het Uwv heeft aangenomen. De opmerkingen van het Uwv hebben de deskundige geen aanleiding gegeven zijn conclusies te wijzigen.
De Raad is van oordeel dat de deskundige overtuigend en op inzichtelijke wijze heeft toegelicht hoe hij tot zijn visie is gekomen en ziet geen aanleiding de conclusies van de deskundige niet te volgen. De deskundige heeft inzichtelijk gemotiveerd waarom hij de zienswijze van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet volgt en op grond waarvan hij tot de conclusie komt dat er objectief medische redenen zijn om appellant verdergaand beperkt te achten dan het Uwv heeft gedaan. Hij blijft ook na kennisneming van de reacties van de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij zijn standpunt dat appellant rond de datum in geding ernstig beperkt was en dat bij appellant sprake was van geen of slechts marginale belastbaarheid voor werk.
Conclusie en gevolgen
5. Gelet op het vorenstaande is genoegzaam komen vast te staan dat de medische situatie van appellant per 15 oktober 2020 door het Uwv is onderschat. Hieruit vloeit voort dat het bestreden besluit niet op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en daarom een deugdelijke grondslag ontbeert. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd voor zover aangevochten, het beroep tegen het bestreden besluit wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd. Appellant wordt – overeenkomstig de bevindingen van de deskundige – verdergaand beperkt geacht dan door het Uwv aangenomen en niet in staat geacht de geselecteerde functies te vervullen per 15 oktober 2020. Het Uwv dient opnieuw op het bezwaar van appellant te beslissen met inachtneming van wat de Raad in deze uitspraak heeft overwogen. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door Uwv te nemen nieuwe beslissing op het bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
6. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. De hiervoor gemaakte proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.814,- (1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde van € 907,- per punt). Ook dient het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 6 april 2021;
- draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.814,-;
- bepaalt dat het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 136,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2025.
(getekend) S. Wijna
(getekend) D.M.A. van de Geijn