ECLI:NL:CRVB:2025:1707

ECLI:NL:CRVB:2025:1707, Centrale Raad van Beroep, 18-11-2025, 24/2053 PW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 18-11-2025
Datum publicatie 04-12-2025
Zaaknummer 24/2053 PW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0007333

Samenvatting

Toekenning van bijstand. Ingangsdatum. Geen bijzondere omstandigheden. Vaststelling recht. Bijschrijvingen. Inkomen. Hoewel aannemelijk is dat appellante een moeilijke periode heeft doorgemaakt, waarbij sprake was van multiproblematiek, maakt dat op zichzelf niet dat er bijzondere omstandigheden zijn. Niet aannemelijk is gemaakt dat dat zij als gevolg van die problematiek niet in staat was om bijstand aan te vragen of zich tot een instantie te wenden voor hulp daarbij. Verder heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante geen recht op bijstand heeft over januari 2023 in verband met bijschrijvingen op haar bankrekening. Appellante heeft wel gesteld, maar op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat die bijschrijvingen betrekking hebben op de verkoop van een zeldzaam legopoppetje. De in bezwaar overgelegde, achteraf opgestelde geldleenovereenkomst tussen appellante en haar meerderjarige zoon is daarvoor niet voldoende.

Uitspraak

SAMENVATTING

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 6 augustus 2024, 23/7578 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)

Datum uitspraak: 18 november 2025

In deze zaak gaat het over de ingangsdatum van de aan appellante verleende bijstand. Ook gaat het om de weigering van het college om appellante bijstand toe te kennen over januari 2023. Het college heeft bijstand toegekend met ingang van de datum waarop appellante bijstand heeft aangevraagd. Volgens het college zijn er geen bijzondere omstandigheden die bijstandverlening vanaf een eerdere datum rechtvaardigen. Verder stelt het college zich op het standpunt dat appellante geen recht op bijstand heeft over januari 2023 in verband met bijschrijvingen op haar bankrekening. Deze bijschrijvingen heeft het college aangemerkt als inkomen in die maand. Appellante wenst bijstand met ingang van de dag nadat haar uitkering op grond van de Ziektewet (ZW-uitkering) is geëindigd. In haar visie zijn er bijzondere omstandigheden die dat rechtvaardigen. Appellante heeft verder aangevoerd dat de bijschrijvingen op haar bankrekening tot haar vermogen behoren en geen inkomsten zijn. Appellante krijgt op beide punten geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.L. Mens, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 oktober 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Mens. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. L.J.A. Edelaar.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellante ontving tot en met 7 augustus 2022 een ZW-uitkering.

Op 10 november 2022 heeft appellante bijstand aangevraagd op grond van de Participatiewet (PW). Een medewerker van de gemeente Haarlemmermeer heeft appellante tijdens een telefoongesprek op 11 november 2022 onder meer gewezen op de mogelijkheid om zich tot de stichting [naam stichting] te wenden voor hulp bij het verzamelen van de nodige bewijsstukken. Met brieven van 19 november 2022 en 1 december 2022 heeft een medewerker van de gemeente appellante uitgenodigd voor een intakegesprek. Omdat appellante zonder bericht niet was verschenen op dat gesprek heeft het college de aanvraag met een besluit van 9 december 2022 buiten behandeling gesteld. Daartegen heeft appellante geen bezwaar gemaakt.

Appellante heeft op 14 december 2022 een aanvraag om een energietoeslag ingediend. Met een besluit van 10 januari 2023 heeft het college aan appellante een energietoeslag van € 1.300,- netto toegekend.

Op 28 december 2022 is via een medewerker van stichting [naam stichting] met spoed een aanvraag om bijstand voor appellante ingediend. Op 18 januari 2023 heeft appellante zelf opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend. Daarbij heeft zij vermeld dat zij bijstand met terugwerkende kracht tot – zoals ter zitting is toegelicht – 8 augustus 2022 wenst. In het kader van deze aanvraag heeft appellante afschriften van haar bankrekening over onder meer januari 2023 ingeleverd. Daarop zijn bijschrijvingen van derden te zien.

Met een besluit van 26 april 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 4 december 2023 (bestreden besluit), heeft het college appellante bijstand toegekend naar de norm van een alleenstaande met één kostendelende medebewoner met ingang van 28 december 2022. Over januari 2023 heeft appellante volgens het college geen recht op bijstand omdat zij inkomsten boven de norm heeft. Vanaf 1 februari 2023 bestaat recht op bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder in aanvulling op inkomsten uit werk. Aan het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de ingangsdatum en de weigering bijstand te verlenen over januari 2023 heeft het college, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Er zijn geen bijzondere omstandigheden om bijstand met terugwerkende kracht te verlenen tot 8 augustus 2022. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de in januari 2023 door een derde naar de bankrekening van appellante overgeschreven bedragen, die de norm overstijgen, geen inkomsten zijn.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de ingangsdatum van de bijstand en de weigering van de bijstand over januari 2023 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

De ingangsdatum van bijstand

In beginsel wordt geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de PW en de vaste rechtspraak over de voorloper van die bepaling (artikel 68a, eerste lid, van de Algemene bijstandswet). Zulke omstandigheden kunnen zich voordoen als het de betrokkene niet kan worden verweten dat hij niet eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de betrokkene niet in staat was om eerder bijstand aan te vragen, of als de betrokkene daarvan is afgehouden door de bijstandverlenende instantie. Vergelijk eerdere rechtspraak.

Appellante heeft aangevoerd dat bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat in haar geval wordt afgeweken van het in 4.1 geformuleerde uitgangspunt. Zij was niet in staat om eerder een aanvraag om bijstand in te dienen, omdat zij te maken had met ernstige financiële, psychische, verslavings-, sociale en strafrechtelijke problematiek. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante gewezen op schriftelijke verklaringen van haar huisarts en van een zorgcoördinator openbare gezondheidszorg. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Hoewel aannemelijk is dat appellante een moeilijke periode heeft doorgemaakt, waarbij sprake was van multiproblematiek, maakt dat op zichzelf niet dat er bijzondere omstandigheden zijn als bedoeld in 4.1. Appellante zal namelijk aannemelijk moeten maken dat zij als gevolg van die problematiek in de periode waar het hier om gaat – te weten de periode van 8 augustus 2022 tot en met 27 december 2022 – niet in staat was om bijstand aan te vragen of zich tot een instantie te wenden voor hulp daarbij. Daarin is zij niet geslaagd. Dat wordt hierna toegelicht.

Appellante was in staat om in november 2022 bijstand aan te (laten) vragen en om medio december 2022 een energietoeslag aan te (laten) vragen.

In de op 25 juni 2023 opgemaakte verklaring van de huisarts staat niet meer dan: “[Appellante] bezoekt regelmatig mijn spreekuur met name vanwege haar psychische klachten”. Daaruit blijkt niet dat appellante niet in staat was om in de te beoordelen periode waar het hier om gaat bijstand aan te vragen of daarbij hulp te vragen. De door appellante ingebrachte verklaring van de zorgcoördinator van 6 november 2022 bevat alleen een opsomming van de contacten die appellante voor en na augustus 2022 heeft gehad met de Gemeentelijke Gezondheidsdienst en van een aantal meldingen bij de politie. Maar één van die meldingen of contacten heeft plaatsgevonden in de periode waar het hier om gaat, te weten op 8 december 2022. Die melding gaat over een ruzie tussen appellante en een ex-partner waarbij de politie heeft ingegrepen. Dat is weliswaar zorgelijk, maar ook daaruit valt niet af te leiden dat appellante in de periode waar het hier om gaat niet in staat was om bijstand aan te vragen of daarbij hulp te vragen. De overige meldingen zien op situaties die zich enkele maanden voor en na die periode hebben voorgedaan en zeggen dus niets over de periode waar het hier om gaat.

Appellante heeft verder nog als bijzondere omstandigheid aangevoerd dat medewerkers van de afdeling schuldhulpverlening in strijd met de op hen rustende zorgplicht hebben gehandeld door haar niet te wijzen op de mogelijkheid van het aanvragen van bijstand en haar daar ook niet bij te helpen. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.

Uit het dossier blijkt dat appellante zich in juni 2022 heeft gemeld bij Plangroep met een hulpvraag over werk, inkomen en schulden. Op dat moment beschikte appellante over een inkomen uit werk of over een ZW-uitkering. Het is daarom voorstelbaar dat de medewerkers van Plangroep appellante niet hebben gewezen op de mogelijkheid om bijstand aan te vragen. Volgens een medewerker van Plangroep is appellante na haar hulpvraag verwezen naar een bewindvoerder en heeft zij de hulpvraag daarna weer ingetrokken. Appellante stelt dat de hulpvraag ook na de beëindiging van haar ZW-uitkering nog open stond, maar dat blijkt niet uit het dossier. Appellante heeft deze stelling ook in hoger beroep niet nader onderbouwd. Alleen al daarom slaagt de beroepsgrond over de zorgplicht van schuldhulpverlening niet, nog daargelaten of op grond van een nog openstaande hulpvraag bij Plangroep zou moeten worden aangenomen dat er bijzondere omstandigheden zijn om bijstand met terugwerkende kracht te verlenen.

Het recht op bijstand over januari 2023

Vaststaat dat op de bankrekening van appellante op 21 januari 2023 tweemaal een bedrag van een derde (X) is bijgeschreven tot een totaalbedrag van € 4.200,-. Op het transactieoverzicht van de bankrekening staan geen omschrijvingen bij de bijgeschreven bedragen.

Appellante heeft aangevoerd dat de door X bijgeschreven bedragen niet als inkomen moeten worden aangemerkt, maar als vermogen. Het geld is namelijk afkomstig van de verkoop van een zeldzaam legopoppetje dat zij had geleend van haar meerderjarige zoon, met als doel om het te verkopen om in haar levensonderhoud te voorzien. De grens van het vrij te laten vermogen wordt niet overschreden en dus heeft zij recht op bijstand over deze maand. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Bedragen die zijn overgemaakt door derden naar een bankrekening van een bijstandontvanger worden in beginsel beschouwd als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben is het inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW als zij door de betrokkene kunnen worden gebruikt voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan. Dit is vaste rechtspraak.

Appellante heeft wel gesteld, maar op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de bijschrijvingen van X in januari 2023 betrekking hebben op de verkoop van een zeldzaam legopoppetje door appellante voor een bedrag van € 4.200,-. De in bezwaar overgelegde, achteraf opgestelde geldleenovereenkomst tussen appellante en haar meerderjarige zoon over een niet nader geduid goed ter waarde van € 4.200,- is daarvoor niet voldoende. Nergens blijkt namelijk uit dat de op 21 januari 2023 bijgeschreven bedragen betrekking hebben op de verkoop van dat goed. Appellante heeft haar standpunt ook in hoger beroep niet onderbouwd met bewijsstukken, zoals bijvoorbeeld een verklaring van X over het doel van de bijgeschreven bedragen. Alleen al hierom slaagt de beroepsgrond niet.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de ingangsdatum van de bijstand en de weigering om bijstand te verlenen over januari 2023 in stand blijven.

5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2025.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) C.E.A. Tessemaker

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Participatiewet

Artikel 31, eerste lid

Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a en b

Onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voorzover deze betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en voor zover deze betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

Artikel 44, eerste lid

Indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, wordt de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JWWB 2026/11 NBR-Pw/2026/001 met annotatie van mr. Lance op den Camp
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?