SAMENVATTING
24/1858 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 26 juni 2024, 23/5007 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
Datum uitspraak: 13 november 2025
het college van burgemeester en wethouders van Veendam (college)
Deze zaak gaat over de weigering van het college om aan appellante op grond van de Wmo 2015 een woonvoorziening, bestaande uit een aanpassing van de keuken, te verstrekken. Het college stelt zich op het standpunt dat appellante met behulp van het pgb dat zij op grond van de Wlz ontvangt voldoende wordt gecompenseerd in haar beperkingen in de zelfredzaamheid. Appellante is het daarmee niet eens. Zij vindt dat de keuken een elementaire woonfunctie is, waarvan zij nu geen gebruik kan maken. De Raad stelt appellante niet in het gelijk.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 augustus 2025. Voor appellante zijn [naam 1] en [naam 2] verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E.Y. Lamein-Smits.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante, geboren in 1968, heeft forse lichamelijke beperkingen als gevolg van onder meer multiple sclerose en artrose.
Op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet langdurige zorg (Wlz) heeft het Centrum Indicatiestelling Zorg appellante geïndiceerd met het zorgprofiel Wonen met begeleiding en intensieve verzorging (LG05). In verband hiermee heeft het betrokken zorgkantoor appellante een persoonsgebonden budget (pgb) verleend.
Appellante heeft op 2 maart 2023 een aanvraag bij het college ingediend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor aanpassing van haar keuken.
Bij besluit van 17 maart 2023, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 oktober 2023 (bestreden besluit), heeft het college die aanvraag afgewezen. Het college heeft onder andere overwogen dat appellante met behulp van het pgb dat zij op grond van de Wlz ontvangt voldoende wordt gecompenseerd in haar beperkingen in de zelfredzaamheid.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat de beperkingen die appellante ondervindt voldoende kunnen worden gecompenseerd met het aan haar verleende Wlz-pgb. De Wlz-indicatie LG05 houdt in dat er sprake is van volledige ADLafhankelijkheid en voorziet in alle noodzakelijke verzorging en begeleiding bij ADLactiviteiten en dus ook in de noodzakelijke hulp en ondersteuning rondom het eten en drinken. Met het Wlz-pgb dienen de beperkingen in de zelfredzaamheid daarom voldoende te kunnen worden gecompenseerd en is het daarnaast verstrekken van een aangepaste keuken niet noodzakelijk.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft aangevoerd dat haar beperkingen niet voldoende worden gecompenseerd door het Wlz-pgb. De rechtbank heeft ten onrechte aansluiting gezocht bij de verzorging en de begeleiding bij ADLactiviteiten. In dit geval gaat het om het gebruik van een elementaire woonfunctie, namelijk het gebruik van de keuken. Met de gevraagde aanpassing wordt appellante in staat gesteld om handelingen in de keuken zelfstandig te kunnen verrichten waardoor zij zelfredzamer is.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellante behoort tot de categorie cliënten die op grond van artikel 8:6a van de Wmo 2015 aanspraak kan maken op de verstrekking van een hulpmiddel of een woningaanpassing op grond van de Wmo 2015, hoewel zij in het bezit is van een indicatie op grond van de Wlz. Wel is in geschil de vraag of het college op goede gronden heeft geweigerd appellante een aanpassing van de keuken op grond van de Wmo 2015 te verstrekken.
De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. Appellantes stelling dat het college haar een aanpassing van de keuken op grond van de Wmo 2015 moet verstrekken omdat zij zonder die aanpassing geen gebruik kan maken van de elementaire woonfunctie van haar keuken, treft geen doel. Een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 wordt verstrekt ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
In de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Veendam 2022 is vermeld dat zelfredzaamheid niet per se wil zeggen dat de persoon zélf overal toe in staat is. De Wlzindicatie LG05 van appellante voorziet in zorg voor cliënten die onder meer volledig ADL-afhankelijk zijn. Het Wlz-pgb van appellante is dus bedoeld om zorg in te kopen zodat, de ADL-handelingen die appellante niet zelf kan verrichten, van haar worden overgenomen of zij daarbij wordt geholpen. De beperkingen die appellante ondervindt in het gebruik van de keuken, zoals het pakken en bereiden van eten en drinken, kan appellante dan ook ondervangen door daarvoor zorg in te kopen met haar pgb. De keus van appellante om in de uren dat haar echtgenoot naar zijn werk is en zij alleen thuis is, geen zorg in te kopen die gericht is op ADL-ondersteuning, komt voor haar eigen rekening en risico. Overigens merkt de Raad op dat er andere passende oplossingen zijn voor (een deel van) de beperkingen die appellante ondervindt in het gebruik van de keuken. Zo heeft het college erop gewezen dat appellante voor het handen wassen of het halen van water gebruik kan maken van de kraan in de aangepaste badkamer op dezelfde verdieping en dat zij voor warm water een heet waterdispenser kan gebruiken.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en J.J. Janssen en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van N. El Khabazi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2025.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) N. El Khabazi
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Artikel 2.3.5, derde en zesde lid
3. Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
6. Het college kan een maatwerkvoorziening weigeren indien de cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg, dan wel er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarop aanspraak kan doen gelden en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit dienaangaande.
Artikel 8.6a
Artikel 2.3.5, zesde lid, geldt tot een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip niet voor daar bedoelde cliënten:
a. die thuis wonen en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel of een woningaanpassing hebben aangevraagd;
b. die zonder behandeling in een instelling verblijven en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel ter verbetering van hun mobiliteit hebben aangevraagd;
c. die hun recht op zorg tot gelding brengen met een modulair pakket thuis en een maatwerkvoorziening inhoudende het schoonhouden van hun woonruimte hebben aangevraagd.
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Veendam 2022
Hoofdstuk 1 - 18. Zelfredzaamheid
In staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.
Algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) zijn de handelingen die mensen dagelijks in het gewone leven verrichten, met inbegrip van persoonlijke verzorging. Het begrip wordt gebruikt om te bepalen in hoeverre iemand zelfredzaam is. Iemand die als gevolg van lichamelijke en geestelijke beperkingen ADL-verrichtingen niet zelf kan doen, zal hulp nodig hebben en, indien hij zoveel hulp nodig heeft dat het niet verantwoord is dat hij zonder enige vorm van (vrijwel) continu toezicht en hulp leeft, misschien zelfs niet langer thuis kan blijven wonen.
Zelfredzaamheid wil niet perse zeggen dat de persoon zélf overal toe in staat is. De zelfredzaamheid van een persoon kan ook versterkt worden door de inzet van huisgenoten, het netwerk rond de persoon, mantelzorg, of een vrijwilliger die ondersteunende taken verricht. Verder kan het gebruik van algemeen gebruikelijke voorzieningen bijdragen aan de zelfredzaamheid.
Regeling langdurige zorg, Bijlage A
Zorgprofiel 5LG - Wonen met begeleiding en intensieve verzorging.
Cliënten zijn zeer ernstig lichamelijk gehandicapt en functioneren sociaal grotendeels zelfstandig binnen een bepaalde structuur.
De cliënten kunnen redelijk zelf de regie over hun eigen leven voeren, maar hebben hierbij wel toezicht of stimulatie nodig, en in enkele gevallen hulp ten aanzien van de sociale redzaamheid. Dit is vooral het geval bij het uitvoeren van complexe taken en praktische zaken in het huishoudelijk leven.
De cliënten hebben ten aanzien van de psychosociale/cognitieve functies af en toe hulp, toezicht of sturing nodig. Dit kan met name het geval zijn bij geheugen en denken, informatieverwerking en bij het psychosociaal welbevinden van de cliënten. Cliënten hebben een goed besef van tijd, plaats en persoon.
De cliënt is volledig ADL afhankelijk, er is hulp of overname van taken nodig. Het kan voorkomen dat er regelmatig twee verzorgenden nodig zijn om deze zorg van de cliënt over te nemen.
Ten aanzien van de mobiliteit hebben de cliënten hulp en soms overname nodig. De cliënt kan afhankelijk zijn van een elektrische rolstoel, ingewikkelde transfers, omgevingsbesturing en hulpmiddelen. Ten aanzien van de motoriek is vaak hulp, toezicht of sturing nodig.
Er is regelmatig tot vaak verpleegkundige aandacht vereist. Dit kan ook gespecialiseerd verpleegkundig handelen omvatten, waarbij sprake kan zijn van de directe beschikbaarheid van een verpleegkundige.
Er is meestal geen sprake van gedrags- of psychiatrische problematiek.
De aard van het begeleidingsdoel is veelal gericht op stabilisatie of (geleidelijke) achteruitgang. De cliënten hebben een structurele zorgbehoefte, op zowel geplande als op niet geplande tijden.
Eventuele behandeling is gericht op complicaties en preventie hiervan.
De dominante grondslag voor dit cliëntprofiel is meestal een lichamelijke handicap (functiestoornis).