ECLI:NL:CRVB:2025:1716

ECLI:NL:CRVB:2025:1716, Centrale Raad van Beroep, 13-11-2025, 24/1701 POL

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 13-11-2025
Datum publicatie 01-12-2025
Zaaknummer 24/1701 POL
Rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 2 zaken

Aangehaald door

Samenvatting

Bezoldiging. Gelijkheidsbeginsel. Afwijzing aanvraag gelijke beloning. Geen onderscheid op grond van geslacht. De ongelijke beloning komt door het verschil in taken en bevoegdheden van de functies.

Uitspraak

SAMENVATTING

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 12 juni 2024, 22/3 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de korpschef van politie (korpschef)

Datum uitspraak: 13 november 2025

In deze zaak gaat het om de vraag of de korpschef terecht afwijzend heeft beslist op de aanvraag van appellante om gelijke beloning voor gelijke arbeid ondanks verschil in functie. De Raad oordeelt dat het beloningsverschil gerechtvaardigd is vanwege de verschillen in taken en verantwoordelijkheden van de functies die hier aan de orde zijn. Van strijd met goed werkgeverschap is geen sprake.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W. de Klein, advocaat, hoger beroep ingesteld . De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Nadien zijn namens appellante de gronden van het hoger beroep nader aangevuld waarbij ook is verzocht de korpschef te veroordelen in de door appellante geleden schade. De korpschef heeft hierop gereageerd.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 oktober 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Klein en mr. P. de Casparis. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J.C. Garrels, bijgestaan door K.G. IJmker-Poelman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Appellante werkt sinds [datum] 2009 bij de politie. Met ingang van [datum] 2015 is zij geplaatst in de LFNP-functie van Bedrijfsvoering specialist B (medior arbeidsdeskundige) binnen het team [naam team] van de eenheid [naam eenheid]. Deze functie is gewaardeerd in salarisschaal 10.

In augustus 2017 heeft appellante verzocht om te worden geplaatst in de functie van Bedrijfsvoeringspecialist C (senior arbeidsdeskundige). Deze functie is gewaardeerd in salarisschaal 11. Nadat de korpschef in mei 2018 het voornemen kenbaar maakte de aanvraag van appellante af te wijzen, heeft appellante in juli 2018 deze aanvraag ingetrokken.

In juni 2018 heeft appellante de korpschef verzocht om haar op grond van het gelijkheidsbeginsel een bezoldiging toe te kennen die gelijk is aan de bezoldiging van een senior arbeidsdeskundige. Appellante stelt dat zij in de praktijk exact hetzelfde werk doet als de senior arbeidsdeskundige in haar eenheid.

Met een besluit van 6 augustus 2019 heeft de korpschef het verzoek afgewezen op de grond dat het pakket van taken en verantwoordelijkheden dat door de senior arbeidsdeskundigen wordt uitgevoerd niet geheel overeenkomt met het werk zoals appellante dit doet. Hiertegen heeft appelante bezwaar gemaakt.

Tijdens de bezwaarprocedure heeft appellante het College voor de Rechten van de Mens (College) gevraagd te beoordelen of de korpschef een verboden onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt. Op 29 april 2021 heeft het College geoordeeld dat de korpschef tegenover appellante direct onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt door haar voor arbeid van gelijke waarde lager te belonen dan de maatman. Het maken van direct onderscheid op grond van geslacht is verboden, tenzij op dat verbod een wettelijke uitzondering van toepassing is. Gesteld noch gebleken is dat een wettelijke uitzondering van toepassing is. Het College oordeelt dan ook dat de korpschef tegenover appellante verboden onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt bij de beloning.

Met een e-mail van 24 november 2021 is namens appellante de korpschef in gebreke gesteld wegens het uitblijven de beslissing op bezwaar.

Op 30 december 2021 is namens appellante bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 6 augustus 2019.

De korpschef heeft met een besluit van 14 april 2022 het bezwaar van appellante – voor zover hier van belang – tegen het besluit van 6 augustus 2019 ongegrond verklaard en ten overvloede het oordeel van het College niet gevolgd.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover in hoger beroep nog van belang, ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank stelt voorop dat het salaris dat is verbonden aan de huidige functie van appellante (van medior arbeidsdeskundige) vastligt in de Regeling vaststelling LFNP (LFNP-regeling) en dat de korpschef geen mogelijkheid heeft om in dat salaris verandering te brengen. Het verzoek van appellante is uitdrukkelijk bedoeld om een hoger salaris te krijgen dan het salaris dat bij haar eigen functie hoort en niet om haar in een andere functie te plaatsen waar dat hogere salaris bij hoort. Gelet op de systematiek van het LFNP is dat niet mogelijk, aldus de rechtbank. Wat betreft het niet toekennen van een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen volgt de rechtbank het standpunt van de korpschef dat appellante de korpschef onredelijk laat in gebreke heeft gesteld.

Het standpunt van appellante.

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep in zoverre niet slaagt, maar ziet aanleiding de gronden waarop het oordeel van de rechtbank berust aan te vullen. Het hoger beroep slaagt wel voor zover de rechtbank het beroep wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar ongegrond heeft verklaard.

Voorop wordt gesteld dat het salaris, verbonden aan de door appellante beklede functie van Bedrijfsvoeringspecialist B (medior arbeidsdeskundige), vastligt in de LFNP-regeling dat een algemeen verbindend voorschrift is. De korpschef heeft dus niet de mogelijkheid in dat salaris verandering te brengen. De Raad onderschrijft dan ook in zoverre het oordeel van de rechtbank dat de LFNP-systematiek meebrengt dat aanpassing van salaris alleen kan door plaatsing in een hogere functie dan de opgedragen functie. De stelling van appellante dat een verzoek op grond van de RAAF-procedure zelden tot een gewenst resultaat leidt, kan – als die stelling al juist is – aan die systematiek niet afdoen.

Gelijkheidsbeginsel

Appellante heeft betoogd dat zij als medior arbeidsdeskundige in de praktijk hetzelfde werk doet als een senior arbeidsdeskundige en om die reden hetzelfde salaris moet ontvangen. Om de door haar gestelde ongelijkheid kracht bij te zetten, heeft zij het College gevraagd te beoordelen of de korpschef verboden onderscheid maakt door haar ongelijk te belonen ten opzichte van een mannelijke collega (maatman). Zoals onder 1.5 is weergegeven, is het College van oordeel dat sprake is van een verboden onderscheid op grond van geslacht.

Het beloningsverschil tussen appellante en haar mannelijke collega wordt niet veroorzaakt door een (verboden) onderscheid naar geslacht maar is het gevolg van het onderscheid tussen de functies die beiden bekleden. De medior arbeidsdeskundige en de senior arbeidsdeskundige hebben verschillende taken en verantwoordelijkheden, zoals ook blijkt uit de beide functiebeschrijvingen. Om die reden is aan de door appellante beklede functie van medior arbeidsdeskundige een lagere salarisschaal gekoppeld dan aan de functie van senior arbeidsdeskundige, de functie die door de mannelijk collega (de door appellante gekozen maatman) wordt bekleed. Dat appellante feitelijk, in de dagelijkse praktijk, werk doet dat ook wordt gedaan door de senior arbeidsdeskundige kan er op zichzelf niet toe leiden dat zij gelijk beloond moeten worden. Van belang is dat uit de functiebeschrijvingen blijkt dat van een senior arbeidsdeskundige meer gevraagd kan worden dan van een medior arbeidsdeskundige. Dit verschil in de functies heeft geleid tot een verschil in de waardering ervan. Omdat het gaat om verschillende functies, handelt de korpschef niet in strijd met het algemene rechtsbeginsel dat gelijke arbeid in gelijke omstandigheden op gelijke wijze moet worden beloond. Dit betekent dat er evenmin strijd is met het goed werkgeverschap.

Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar

Partijen zijn verdeeld over de vraag of de ingebrekestelling onredelijk laat is ingediend. Anders dan de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag ontkennend.

Niet wordt betwist dat de behandeling van het bezwaarschrift aanvankelijk was opgeschort totdat het College het verzoek van appellante zou hebben beoordeeld. Het College heeft op 29 april 2021 zijn oordeel gegeven. Uit de in hoger beroep overgelegde correspondentie komt naar voren dat partijen over en weer hebben gecommuniceerd over het innemen van een standpunt van de korpschef op het oordeel van het College. In een email van 25 augustus 2021 heeft de korpschef gereageerd op het verzoek van appellante tot verdere aanhouding en geschreven dat de behandeling langer wordt aangehouden tot hij een standpunt heeft ingenomen over het oordeel van het College. Ook nadien hebben partijen nog onderling contact gehad, maar tot een schriftelijke reactie van de korpschef op het oordeel van het College is het niet gekomen. Deze opstelling van de korpschef heeft appellante er uiteindelijk toe gebracht op 5 november 2021 de aanhouding van de beslistermijn te beëindigen en vervolgens de korpschef op 24 november 2021 in gebreke te stellen. De in hoger beroep overgelegde correspondentie leidt de Raad dan ook tot het oordeel dat van een onredelijk laat ingediende ingebrekestelling geen sprake is.

Nadat de korpschef op 20 januari 2022 schriftelijk een standpunt had ingenomen over het oordeel van het College, heeft hij uiteindelijk met het besluit van 14 april 2022 op het bezwaar beslist. Daarmee is de beslistermijn ruimschoots overschreden. Als de brieven van 5 november 2021 en 24 november 2021 bij de korpschef voor onduidelijkheid zouden hebben gezorgd, juist omdat aanvankelijk op 25 november 2021 een vervolg hoorzitting was gepland, dan had de korpschef zich tot de gemachtigde van appellante moeten wenden om te vragen wat met genoemde brieven werd beoogd. Nu dat is nagelaten, was een ingebrekestelling een logische vervolgstap om de vaart erin te houden. Omdat de korpschef pas op 14 april 2022 op het bezwaar heeft beslist, komt de periode van stilzitten voor rekening en risico van de korpschef. De Raad zal dan ook bepalen dat de korpschef aan appellante de maximale dwangsom verschuldigd is.

Conclusie en gevolgen

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt voor zover dat ziet op de ongelijke beloning. De aangevallen uitspraak wordt, onder verbetering van de gronden waarop zij berust, in zoverre bevestigd. Het hoger beroep slaagt wel voor zover het zich richt tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. De aangevallen uitspraak wordt voor dat deel vernietigd. De Raad zal het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond verklaren en zelf in de zaak te voorzien door de hoogte van de door de korpschef aan appellante verschuldigde dwangsom vast te stellen op het maximale bedrag van € 1.442.-.

5. Het verzoek van appellante om de korpschef te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over de nog te betalen dwangsom wordt toegewezen. Voor de wijze waarop de korpschef de wettelijke rente dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 25 januari 2012.

6. Appellante krijgt een vergoeding voor haar proceskosten in beroep en hoger beroep. Deze worden begroot op € 1.814,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-), € 1.814,- in hoger beroep (1 punt voor het opstellen van het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 907,- per punt), € 99,26 aan reiskosten in beroep en hoger beroep en € 61,77 aan verletkosten, totaal € 3.789,03. Ook krijgt appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het beroep tegen het niet tijdig beslissen ongegrond is verklaard;

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond;

- stelt de hoogte van de door korpschef aan appellante verschuldigde dwangsom vast op € 1.442,- te vermeerderen met de wettelijke rente zoals vermeld in rechtsoverweging 5;

- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.789,03;

- bepaalt dat de korpschef aan appellante het door haar in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 460,- vergoedt;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas als voorzitter en Y. Sneevliet en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2025.

(getekend) H. Lagas

(getekend) M. Dafir

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?