SAMENVATTING
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 september 2024, 24/1620 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Datum uitspraak: 27 november 2025
Het gaat in deze zaak om de vraag of de minister een dwangsom wegens niet tijdig beslissen heeft verbeurd. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat daarvan geen sprake is. Appellant heeft een ingebrekestelling verstuurd terwijl de minister niet in gebreke was.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Kaplan, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 17 oktober 2025. Voor appellant is mr. N. Talhaoui verschenen, advocaat en kantoorgenoot van mr. O.C. Bozbiyik, de opvolger van mr. Kaplan. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten van belang.
Op 28 februari 2023 heeft appellant op grond van de Wsf 2000 vanaf juli 2023 studiefinanciering aangevraagd in de vorm van een reisvoorziening, een basisbeurs en een aanvullende beurs. Daarbij heeft appellant vermeld dat zijn moeder in Spanje woont.
Hierop heeft de minister bij besluit van 28 februari 2023 aan appellant vanaf juli 2023 een reisvoorziening en een basisbeurs toegekend. Verder heeft de minister het bedrag van de aanvullende beurs vanaf juli 2023 op “€ 0,00” gesteld en is appellant (separaat) om aanvullende informatie gevraagd over het inkomen van zijn moeder. Appellant heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 februari 2023.
Op 2 oktober 2023 heeft appellant de minister in gebreke gesteld op de grond dat niet tijdig is beslist op het deel van zijn aanvraag dat betrekking heeft op de aanvullende beurs. De minister is daarbij gesommeerd om binnen twee weken alsnog nader te beslissen of een dwangsom toe te wijzen.
Bij besluit van 23 november 2023 heeft de minister vastgesteld dat hij geen dwangsom wegens niet tijdig beslissen aan appellant verschuldigd is, omdat bij besluit van 28 februari 2023 op de gehele aanvraag van appellant van diezelfde datum is beslist.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de onder 1.4 aangeduide weigering om hem een dwangsom toe te wijzen. Dit bezwaar heeft de minister bij besluit van 24 januari 2024 (bestreden besluit) onder verwijzing naar de Awb ongegrond verklaard. Volledigheidshalve is daarbij opgemerkt dat appellant pas bij brief van 13 september 2023 de informatie heeft verstrekt op grond waarvan hem bij besluit van 7 november 2023 alsnog de maximale aanvullende beurs kon worden toegekend over juli 2023 tot en met december 2023.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad overwogen dat op 18 februari 2023 (ook) een inhoudelijk besluit genomen is op het deel van de aanvraag van appellant dat betrekking heeft op de aanvullende beurs. Dat het bedrag van de aanvullende beurs bij dat besluit op nihil is gesteld, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe gronden naar voren gebracht, maar zich goeddeels beperkt tot het toelichten van gronden die hij eerder heeft aangevoerd. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom deze gronden niet slagen. De Raad is het met de overwegingen en het oordeel van de rechtbank eens en neemt deze daarom over. De Raad voegt daar nog het volgende aan toe.
De Raad onderschrijft dat de minister met zijn besluit van 28 februari 2023 (ook) een inhoudelijke beslissing heeft genomen op het deel van de aanvraag van diezelfde datum dat betrekking heeft op de aanvullende beurs. Daar doet niet aan af dat bij dit besluit het bedrag van de aanvullende beurs op nihil werd gesteld en dat dat zou kunnen wijzigen na ontvangst van aanvullende gegevens over het inkomen van de moeder van appellant. Na het besluit van 28 februari 2023 liep er geen termijn meer voor het nader vaststellen van het bedrag van de aanvullende beurs, zodat de minister ten tijde van belang niet in gebreke was en terecht heeft vastgesteld dat hij aan appellant geen dwangsom verschuldigd is. De minister was niet verplicht om appellant de gelegenheid te bieden om zijn aanvraag aan te vullen met gegevens over het inkomen van zijn moeder alvorens een inhoudelijke beslissing te nemen over het recht van appellant op aanvullende beurs. Artikel 4:5 van de Awb geeft de minister een discretionaire bevoegdheid. De minister mag aanvragen in geval van het ontbreken van benodigde gegevens, na het bieden van een hersteltermijn, buiten behandeling laten, maar mag ook inhoudelijk beslissen. Dat laatste heeft de minister na de aanvraag van appellant gedaan.
Dat aan appellant bij besluit van 28 februari 2023 geen aanvullende beurs werd toegekend, heeft voor appellant mogelijk een periode van enige onzekerheid ingeluid maar er was geen sprake van een leemte in rechtsbescherming of van een financiële noodsituatie. Appellant had immers tegen het besluit van 28 februari 2023 bezwaar kunnen maken en de Wsf 2000 voorziet in de mogelijkheid om – bijvoorbeeld ter overbrugging van een periode waarin nog geen aanvullende beurs is vastgesteld – tot aan het maximum budget studiefinanciering te lenen. Dat appellant geen gebruik heeft gemaakt van deze voorzieningen, is zijn eigen keuze.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering om aan appellant een dwangsom toe te wijzen in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos in tegenwoordigheid van H. de Brabander als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2025.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) H. de Brabander
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Artikel 4:17 – Dwangsom bij niet tijdig beslissen
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:3 – Besluit
1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.(…)
Artikel 4:5 – Niet behandelen van een aanvraag
1. Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:
a. (…)
b. (…)
c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
(…)
Artikel 4:13 – Beslistermijn
a. het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld,
b. de aanvrager geen belanghebbende is, of
c. de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.
7. Indien er meer dan één aanvrager is, is de dwangsom aan ieder van de aanvragers voor een gelijk deel verschuldigd.