ECLI:NL:CRVB:2025:1737

ECLI:NL:CRVB:2025:1737, Centrale Raad van Beroep, 27-11-2025, 24/479 POL

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 27-11-2025
Datum publicatie 02-12-2025
Zaaknummer 24/479 POL
Rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 2 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0031788

Samenvatting

Afwijzing tijdelijke tegemoetkoming. Appellanten waren gedurende de referteperiode in opleiding bij de politie en hadden een (tijdelijke) aanstelling als aspirant. Aspiranten vallen daarmee niet tot de doelgroep die in aanmerking komt voor de TTK over het jaar 2022. Appellanten 3 en 5 maakten subsidiair aanspraak op de TTK vanaf hun aanstelling in een LFNP-functie, maar ook deze aanspraak is afgewezen. Geen strijd met het evenredigheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel en het verbod op onderscheid tussen tijdelijke en vaste aanstelling.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 januari 2024, 23/3397, 23/3444, 23/3463, en tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 april 2024, 23/4541, 23/4390 en 23/4491 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellante 1] te [woonplaats 1] , (appellante 1)

[appellant 2] te [woonplaats 2] , (appellant 2)

[appellant 3] te [woonplaats 3] , (appellant 3)

[appellant 4] te [woonplaats 4] , (appellant 4)

[appellant 5] te [woonplaats 5] , (appellant 5)

de Korpschef van Politie (korpschef)

Datum uitspraak: 27 november 2025

SAMENVATTING

Het gaat in dit geschil om een tijdelijke tegemoetkoming over het jaar 2022. Appellanten waren gedurende de betreffende referteperiode (grotendeels) in opleiding bij de politie en tijdelijk aangesteld als aspirant. Aspiranten behoren niet tot de in de regeling beschreven doelgroep die in aanmerking komt voor deze tegemoetkoming. De Raad oordeelt met de rechtbanken dat de regeling met betrekking tot de tijdelijke tegemoetkoming niet onrechtmatig is. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het verbod op onderscheid naar duur van de aanstelling is geen sprake. Ook de wijze van berekening van de tegemoetkoming is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten 1 en 4 heeft mr. A.D.G. Liefting-Hollebrandse hoger beroep ingesteld. Namens appellant 2 heeft mr. E. van Vuuren-Broere hoger beroep ingesteld. Namens appellanten 3 en 5 heeft mr. drs. M.H. Welter beroep ingesteld.

De hoger beroepen van appellanten 1, 2 en 3 zijn gericht tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. De hoger beroepen van appellanten 4 en 5 zijn gericht tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag. De korpschef heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 oktober 2025. Appellant 4 is niet verschenen, maar zijn gemachtigde is wel aanwezig geweest. Appellanten 1, 2, 3 en 5 zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J.C. Garrels en N. van Herwaarde.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

In het Arbeidsvoorwaardenakkoord Sector Politie van 1 januari 2022 tot en met 30 juni 2024, door partijen ondertekend op 8 juni 2022, zijn afspraken gemaakt over nieuwe arbeidsvoorwaarden, waaronder afspraken over een tijdelijke tegemoetkoming (TTK). Deze tegemoetkoming is, mede vanwege het behoud van de medewerkers, bedoeld als compensatie voor de extra belasting die samenhangt met de aanhoudende werkdruk in de uitvoering in de komende jaren. Afgesproken is dat in de jaren 2022, 2023 en 2024 aan politiemedewerkers die zijn aangesteld in het domein Uitvoering in een LFNP-functie, waaraan ten hoogste schaal 9 is verbonden, deze tegemoetkoming wordt toegekend. Voor het bepalen van de hoogte van de TTK geldt de periode van november van het voorgaande jaar tot en met oktober van het jaar van uitbetaling als referteperiode. De TTK is gelijk aan het totaal van de in de referteperiode uitbetaalde operationele toelage, verschuivingsvergoeding en overwerktoeslag, uitgezonderd het vakantieloon, met een maximum van € 2.500,- bruto. De TTK wordt uitbetaald in december van de jaren 2022, 2023 en 2024.

Bij brief van 13 juni 2022 heeft de minister van Justitie en Veiligheid ermee ingestemd dat de korpschef – vooruitlopend op publicatie van de met het akkoord samenhangende regelgeving – al uitvoering geeft aan de salarismaatregelen voor zover deze ingaan voor de datum van publicatie. Het betreft onder meer de uitbetaling van de TTK.

De afspraken uit het Arbeidsvoorwaardenakkoord Sector Politie met betrekking tot de TTK zijn vastgelegd in artikel V van het Verzamelbesluit politie rechtspositie 2023. Dit besluit geldt met ingang van 20 januari 2024. Artikel V werkt terug tot en met 1 november 2021.

De korpschef hanteert een BVCM-systeem dat gebruikt wordt om de personeelsplanning, roosters en registratie van werktijden bij de politie te beheren. Een BVCM-periode is een periode van vier weken en een jaar bestaat uit 13 BVCM-periodes.

Over de berekening van de TTK is bij het akkoord een aantal specifieke afspraken gemaakt. De korpschef is, conform deze afspraken, bij de berekening van de TTK over het jaar 2022 uitgegaan van de BVCM-periode 10 van 2021 tot en met BVCM-periode 9 van 2022 als referteperiode. De referteperiode betreft dus de periode van 10 september 2021 tot en met 9 september 2022. Daarnaast is bij de berekening gebruik gemaakt van een peildatumsystematiek, waarbij de eerste dag van elke BVCM-periode als peildatum geldt.

Appellanten waren gedurende de referteperiode in opleiding bij de politie en hadden een (tijdelijke) aanstelling als aspirant. Aspiranten behoren daarmee niet tot de doelgroep die in aanmerking komt voor de TTK. Appellanten 3 en 5 hebben tegen het einde van de referteperiode hun opleiding afgerond en zijn aangesteld in een LFNP-functie, respectievelijk per 1 september 2022 en 1 juli 2022. Appellant 5 heeft voor het jaar 2022 een TTK ontvangen.

Appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen hun salarisstrook van december 2022, omdat zij geen, althans een te laag bedrag aan, TTK hebben ontvangen in december 2022.

Met afzonderlijke besluiten van 26 mei 2025 (bestreden besluiten) zijn de bezwaren van appellanten ongegrond verklaard.

Uitspraken van de rechtbank

2. Bij de aangevallen uitspraken hebben de rechtbanken de beroepen ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten. De regeling met betrekking tot de TTK, vermeld in het Arbeidvoorwaardenakkoord Sector Politie en later vastgelegd in artikel V van het Verzamelbesluit, is door de rechtbanken getoetst aan het evenredigheidsbeginsel, gelijkheidsbeginsel en verbod op onderscheid naar aanstellingsvorm als bedoeld in artikel 47c, tweede lid van de Politiewet 2012. De rechtbanken hebben geoordeeld dat de regeling en de wijze van berekening van de TTK niet onrechtmatig is.

Het standpunt van appellanten

3. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbanken niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd, wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellanten in hun hoger beroepen hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen niet slagen. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van de hoger beroepen belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Niet in geschil is dat appellanten 1, 2 en 4 gedurende de gehele referteperiode niet tot de doelgroep behoorden, zoals omschreven in artikel V, eerste lid, sub a, van het Verzamelbesluit. Voor appellanten 3 en 5 geldt dat zij het grootste deel van de referteperiode niet tot de doelgroep behoorden omdat zij tegen het einde van de referteperiode zijn aangesteld in een LFNP-functie. Appellanten stellen zich (primair) op het standpunt dat zij met een aanstelling als aspirant ook in aanmerking moeten komen voor een TTK in het jaar 2022, berekend over de gehele referteperiode. Appellanten 3 en 5 maken (subsidiair) aanspraak op TTK, berekend vanaf de datum van hun aanstelling in een LFNP-functie. Zij stellen dat zij door de gehanteerde berekeningswijze, en meer in het bijzonder de peildatumsystematiek, een bedrag aan TTK zijn misgelopen. De aangevoerde primaire en subsidiaire gronden van appellanten worden hierna besproken.

Artikel V van het Verzamelbesluit is een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin. Algemeen verbindende voorschriften, die geen wet in formele zin zijn, kunnen volgens vaste rechtspraak worden getoetst op rechtmatigheid, in het bijzonder op verenigbaarheid met hoger recht, waaronder (materiële) algemene rechtsbeginselen. De toetsing en beoordeling van de rechtmatigheid van deze regeling aan de hand van de aangevoerde gronden komt hierna aan de orde.

Strijd met het gelijkheidsbeginsel / rechtens gelijke gevallen

Appellanten erkennen dat zij als aspiranten niet binnen de reikwijdte van de regeling vallen, maar zij stellen zich op het standpunt dat er in de feitelijke werkzaamheden geen verschil is tussen een aspirant en een medewerker in een LFNP-functie in het domein uitvoering die wel onder de regeling valt. Het gaat hen dus vooral om tweedejaars aspiranten die na afronding van het theoretische deel van de opleiding starten met het praktijkdeel. Volgens appellanten worden aspiranten gedurende het praktijkdeel van hun opleiding ingezet voor dezelfde diensten en ook geconfronteerd met verzwarende omstandigheden, extra belasting en aanhoudende werkdruk. Appellanten hebben ter onderbouwing hiervan verschillende praktijkvoorbeelden aangedragen. Zo is aangevoerd dat aspiranten vanwege onderbezetting in de praktijk vaak zonder praktijkbegeleider op pad moeten of op dienstauto’s worden geplaatst zonder speciale studentencode. Verder is aangevoerd dat de aspiranten worden meegenomen in het rooster van de medewerkers om gaten te vullen en dus niet worden ingeroosterd ten behoeve van onderwijs maar voornamelijk om werk te doen ter vervulling van reguliere (nood)hulpactiviteiten.

Dit betoog, wat een beroep op het gelijkheidsbeginsel inhoudt, slaagt niet. Met de rechtbanken oordeelt de Raad dat geen sprake is van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld. De rechtbanken hebben terecht overwogen dat aspiranten in opleiding zijn en een leerfunctie hebben. Hieruit vloeit voort dat appellanten een andere verantwoordelijkheid hebben dan medewerkers in een LFNP-functie. Dit belangrijke verschil in de aard van de aanstelling en het daarbij behorende verschil in verantwoordelijkheid maakt naar het oordeel van de Raad dat de groep van (tweedejaars) aspiranten en de groep medewerkers in een LFNP-functie die wel onder de reikwijdte van de regeling valt, niet als gelijke gevallen kunnen worden beschouwd. De omstandigheid dat appellanten gedurende de praktijkinzet voor hun opleiding in overwegende mate hetzelfde werk hebben gedaan (behorend bij een LFNP-functie in het domein uitvoering) en een hoge werkdruk hebben ervaren, maakt het voorgaande niet anders. De Raad acht aannemelijk en logisch dat het praktijkdeel van de opleiding steeds intensiever wordt naar mate het einde van de opleiding in zicht komt en daarmee de verschillen in het feitelijke werk tussen deze twee groepen steeds kleiner worden. Dit is echter onvoldoende voor de conclusie dat sprake is van gelijke gevallen, die ongelijk worden behandeld. Alle werkzaamheden van de aspiranten vinden tot aan de afronding van hun opleiding nog steeds plaats in de context van de opleiding.

Appellanten hebben nog verwezen naar een uitbreiding van de doelgroep met takelaars, zoals vastgelegd in artikel V, eerste lid, sub b van het Verzamelbesluit. Voor zover appellanten hiermee hebben betoogd dat ook de doelgroep van aspiranten op dezelfde wijze behandeld moet worden, slaagt dit betoog niet. Gelet op de Nota van toelichting is de doelgroep uitgebreid met één unieke kleine doelgroep, namelijk medewerkers Huisvesting, Services en Middelen B of D die takelwerkzaamheden verrichten, en vindt deze uitbreiding zijn rechtvaardiging in het gelijkheidsbeginsel. Deze uitbreiding houdt verband met het feit dat de takelwerkzaamheden zijn belegd in zowel een (LFNP-)functie in het domein uitvoering als in het domein ondersteuning. Deze situatie is voor de aspiranten niet aan de orde. De enkele omstandigheid dat de doelgroep is uitgebreid met voormelde groep medewerkers maakt niet dat ook de groep van aspiranten hiervoor in aanmerking moet komen.

Strijd met het evenredigheidsbeginsel

De bestreden besluiten berusten op een gebonden bevoegdheid met een grondslag in artikel V van het Verzamelbesluit, een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin. De uitoefening van de bevoegdheid tot toekenning van de TTK volgt namelijk uit het wel of niet voldoen aan de betreffende toepassingsvoorwaarden in artikel V van het Verzamelbesluit. In de uitspraak van de Grote Kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024 is uitgelegd hoe de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van een gebonden besluit dat op een algemeen verbindend voorschrift berust moet plaatsvinden. Gelet op de aangevoerde gronden strekt het beroep op het evenredigheidsbeginsel tot exceptieve toetsing van de betreffende bepaling als zodanig en is het beroep op het evenredigheidsbeginsel hiertoe beperkt.

Bij de exceptieve toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van het algemeen verbindende voorschrift, waarop het bestreden gebonden besluit berust, kunnen de geschiktheid, de noodzaak en de evenwichtigheid van het voorschrift als zodanig al aan de orde komen. In het verlengde van de aangevoerde beroepsgronden moet worden bepaald of en, zo ja, op welk wijze deze drie elementen bij de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel moeten worden betrokken.

Bij de exceptieve toetsing van een algemeen verbindend voorschrift aan het evenredigheidsbeginsel, heeft de rechter niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. De intensiteit van de rechterlijke toetsing van een algemeen verbindend voorschrift is onder meer afhankelijk van de beslissingsruimte die het bestuursorgaan heeft bij de vaststelling van de regeling, gelet op de aard en de inhoud van de regelbevoegdheid en de daarbij te betrekken belangen. Die toetsing kan materieel terughoudend zijn als de beslissingsruimte voortvloeit uit de feitelijke of technische complexiteit van de materie, dan wel als bij het nemen van de beslissing politiek-bestuurlijke afwegingen kunnen worden of zijn gemaakt. Wat de in acht te nemen belangen en de weging van die belangen betreft, geldt dat de beoordeling daarvan intensiever kan zijn naarmate het algemeen verbindend voorschrift meer ingrijpt in het leven van de belanghebbende(n) en daarbij fundamentele rechten aan de orde zijn.

Appellanten hebben ter onderbouwing van hun beroep op het evenredigheidsbeginsel aangevoerd dat de regeling geen geschikt (en noodzakelijk) middel is om het achterliggende doel te bereiken. Ook het behoud van uitvoerend personeel is onderdeel van het doel van de regeling. De ongeschiktheid van de regeling zit in wat er niet is geregeld. Aspiranten vallen volgens appellanten ten onrechte buiten het toepassingsbereik van de regeling, omdat de wens om personeel te behouden ook van toepassing is op de groep van aspiranten. Dit betoog slaagt niet.

In dit geval is van belang dat de betreffende regeling met betrekking tot de TTK, zoals vastgelegd in artikel V van het Verzamelbesluit, het resultaat is en de neerslag vormt van een na overleg met de politievakorganisaties gesloten arbeidsvoorwaardenakkoord, waarbij onderhandeld is over diverse arbeidsvoorwaarden. Aan een onderhandelingsproces over arbeidsvoorwaarden in een sectoroverleg is inherent dat over en weer sprake is van geven en nemen. De uitkomst van zo’n onderhandelingsproces kan niet met succes worden bestreden door alleen te wijzen op de voor de werknemer nadelige gevolgen ervan en de voordelen buiten beschouwing te laten. Aan de omstandigheid dat de regeling de uitkomst is van een onderhandelingsresultaat komt gewicht toe en dat kleurt de toetsing in.

De partijen zijn bij het arbeidsvoorwaardenakkoord en de uitwerking hiervan over de TTK overeengekomen dat het mede vanwege het behoud van uitvoerend personeel van groot belang is om hen een compensatie te bieden voor de extra belasting en de hiermee samenhangende werkdruk. Uit de toelichting bij artikel V van het Verzamelbesluit volgt dat de extra belasting vanwege de aanhoudende werkdruk zich met name voordoet bij de gedefinieerde doelgroep, zijnde de medewerkers in het domein uitvoering ingeschaald tot ten hoogste salarisschaal 9. Er is dus een bewuste keuze gemaakt om alleen het uitvoerend personeel, zoals hiervoor gedefinieerd, een compensatie te bieden. Andere groepen, zoals de aspiranten, maar ook medewerkers die werken in een ander domein of een hogere schaal, zijn dus bewust uitgesloten van deze financiële tegemoetkoming. Het standpunt van appellanten dat de groep van aspiranten hier over het hoofd is gezien en onder het toepassingsbereik van de regeling had moeten vallen, kan daarom niet worden gevolgd. Hierbij wordt opgemerkt dat bij de onderhandelingen over de arbeidsvoorwaarden wel degelijk aandacht is besteed aan de groep van aspiranten. Dat heeft geresulteerd in afspraken over een verhoging van de maandelijkse tegemoetkoming voor eerstejaars aspiranten. Dat het (alleen) gaat om een tegemoetkoming voor de eerstejaars aspiranten is opnieuw een bewuste keuze. Gelet op het voorgaande ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat aspiranten niet bewust zijn uitgesloten dan wel ten onrechte buiten het toepassingsbereik van de regeling met betrekking tot de TTK zijn gelaten. Het betoog van appellanten dat de regeling geen geschikt (en noodzakelijk) middel zou zijn om het achterliggende doel te bereiken, omdat aspiranten ten onrechte buiten het toepassingsbereik van de regeling zijn gelaten, slaagt dan ook niet.

Verbod onderscheid tijdelijke / vaste aanstelling

Appellanten hebben aangevoerd dat de regeling in strijd is met artikel 47c, tweede lid van de Politiewet 2012, omdat er een niet toegestaan onderscheid wordt gemaakt naar tijdelijke of vaste aanstelling. De afspraak met betrekking tot de TTK treft aspiranten met een tijdelijke aanstelling. Volgens aspiranten is sprake van een verboden (indirect) onderscheid, waarvoor geen objectieve rechtvaardiging is. De korpschef bestrijdt dat sprake is van een indirect onderscheid.

In artikel 47c, tweede lid, van de Politiewet 2012 is bepaald dat het bevoegd gezag geen onderscheid maakt tussen ambtenaren in de arbeidsvoorwaarden op grond van het al dan niet tijdelijke karakter van de aanstelling, tenzij een dergelijk onderscheid objectief gerechtvaardigd is. De regeling zelf maakt geen onderscheid naar tijdelijke of vaste aanstellingsvorm om voor de TTK in aanmerking te komen. De aanstellingsvorm is namelijk niet bepalend voor toekenning van de TTK. Zowel politiemedewerkers met een tijdelijke als met een vaste aanstelling, die vallen onder de doelgroep van de regeling, komen in aanmerking voor een TTK. Met appellanten oordeelt de Raad dat er wel sprake is van een indirect onderscheid. Vrijwel alle aspiranten hebben een tijdelijke aanstelling, terwijl dit slechts geldt voor een zeer klein deel van de medewerkers met een LFNP-functie. Dit betekent dat de uitvoering van de regeling voor de groep van de aspiranten nadelig uitpakt.

Het verbod tot het maken van het onderscheid, als hiervoor bedoeld, betreft een implementatie van Richtlijn 1999/70/EG. Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond is een aantal criteria ontwikkeld in de rechtspraak van het HvJEU over de Richtlijn. Op grond van deze criteria geldt het verbod van onderscheid niet indien het onderscheid objectief gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Appellanten hebben zich op het standpunt gesteld dat de regeling met betrekking tot de TTK niet passend en noodzakelijk is en er hierbij op gewezen dat aspiranten in vergelijkbare mate werkdruk ervaren en dat ook ten aanzien van aspiranten het belang van behoud van uitvoerend personeel bestaat. In de overwegingen 4.10 en 4.11 heeft de Raad al uiteengezet dat en waarom deze argumenten geen doel treffen. In het betoog van appellanten ziet de Raad dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat de regeling niet geschikt, passend en noodzakelijk zou zijn en dat het gemaakte onderscheid niet objectief gerechtvaardigd is. Het uit de regeling voortvloeiende indirecte onderscheid in arbeidsvoorwaarden op grond van het al dan niet tijdelijke karakter van de aanstelling levert daarom geen verboden onderscheid op.

Tussenconclusie

Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat de (primaire) gronden van appellanten niet slagen. Dit betekent dat appellanten als aspiranten op grond van de regeling, die niet onrechtmatig is bevonden, geen aanspraak kunnen maken op de TTK over het jaar 2022.

Subsidiaire gronden

Appellanten 3 en 5 hebben subsidiair aanspraak gemaakt op een (hoger bedrag aan) TTK over het jaar 2022, berekend vanaf de datum van hun aanstelling in een LFNP-functie. De aangevoerde subsidiaire gronden gericht tegen de gehanteerde berekeningswijze, en meer in het bijzonder de peildatumsystematiek, komen hierna aan de orde.

Berekening TTK

Gelet op artikel V, tweede lid, van het Verzamelbesluit is de TTK gelijk aan het totaal van de operationele toeslag, de overwerktoeslag en de verschuivingsvergoeding met een maximum van € 2.500,-, die uitbetaald is in de in dit artikel vermelde referteperiode. De TTK valt dus voor iedere politiemedewerker die in aanmerking komt voor TTK anders uit. Uit de Nota van toelichting bij dit artikel volgt dat de partijen bij het arbeidsvoorwaardenakkoord een aantal specifieke afspraken hebben gemaakt over de berekening van de tegemoetkoming. Een van de afspraken gaat over de referteperiode. Afgesproken is om bij de berekening van de TTK aan te sluiten bij de 13 BVCM-periodes en uit te gaan van de BVCM-periode 10 van 2021 tot en met BVCM-periode 9 van 2022 als referteperiode. Een andere gemaakte afspraak gaat over de keuze voor een peildatumsystematiek. Afgesproken is dat iedere eerste dag van een BVCM-periode, de peildatum, wordt bekeken of een medewerker aan de voorwaarden voldoet. Voldoet de medewerker aan de voorwaarden op de betreffende peildatum, dan worden uitbetaalde toeslagen en vergoedingen in die gehele BVCM-periode meegeteld voor de berekening van de TTK. Voldoet de medewerker niet dan worden de toeslagen en vergoedingen uit die periode niet meegeteld. De korpschef is bij de toekenning en berekening van de TTK over 2022 uitgegaan van deze afspraken.

Appellanten 3 en 5 hebben weliswaar aangevoerd dat de door de korpschef gehanteerde referteperiode iets afwijkt van de in het akkoord en in artikel V van het Verzamelbesluit vermelde referteperiode, maar tegen de gehanteerde referteperiode zijn geen inhoudelijke gronden aangevoerd. Een benadeling als gevolg van die afwijking is gesteld noch gebleken. Er is aansluiting gezocht bij de 13 BVCM-periodes en hierbij heeft een kleine ‘verschuiving’ plaatsgevonden, terwijl de totale omvang van de referteperiode gelijk is gebleven. Dat aansluiting is gezocht bij de 13 BVCM-periodes is bovendien begrijpelijk, aangezien het BVCM-systeem wordt gebruikt voor de planning, het rooster en registratie van werktijden, en de vergoedingen waarop de TTK is gebaseerd, hiermee direct verband houden.

Peildatumsystematiek

De gronden van appellanten 3 en 5 richten zich tegen de toepassing van de peildatumsystematiek voor de berekening en toekenning van de TTK over het jaar 2022. Zij hebben aangevoerd dat zij door de toepassing van deze peildatumsystematiek een bedrag aan TTK zijn misgelopen.

Appellant 3 is per 1 september 2022 aangesteld in een LFNP-functie die onder de doelgroep van de TTK valt. Deze datum valt in BVCM-periode 9, die loopt van 13 augustus tot en met 9 september 2022. Door toepassing van de peildatumsystematiek meent hij een bedrag aan TTK 2022 te zijn misgelopen over de periode van 1 september 2022, de datum van zijn aanstelling, tot en met 9 september 2022, het einde van de referteperiode 2022. Hij maakt aanspraak op TTK berekend over deze periode, waarbij geen peildatum wordt gebruikt.

Appellant 5 is per 1 juli 2022 aangesteld in een LFNP-functie en deze datum valt halverwege BVCM-periode 7, die loopt van 18 juni 2022 tot en met 15 juli 2022. Appellant 5 heeft weliswaar een bedrag aan TTK over 2022 ontvangen, berekend over BVCM-periode 8 en 9 van 2022, maar hij meent een bedrag aan TTK te zijn misgelopen. Hij maakt aanspraak op TTK berekend over 1 juli 2022, de datum van zijn aanstelling, tot en met 15 juli 2022, het einde van periode 7.

Appellanten 3 en 5 hebben aangevoerd dat aspiranten, die aangesteld worden in een LFNP-functie op een datum gelegen in een BVCM-periode, onevenredig worden benadeeld door de toepassing van de peildatumsystematiek. Door toepassing van de peildatumsystematiek kunnen zij geen aanspraak maken op een bedrag aan TTK, berekend vanaf de datum van aanstelling tot het einde van de betreffende BVCM- periode. Volgens appellanten is een andere en minder nadelige berekeningswijze mogelijk. De keuze voor en de toepassing van de peildatumsystematiek is bovendien onjuist en in strijd met de regeling.

Het betoog van appellanten 3 en 5 dat de keuze voor en toepassing van de peildatumsystematiek in strijd is met de regeling slaagt niet. De regeling over de TTK, zoals vastgelegd in artikel V van het Verzamelbesluit, geeft kort gezegd weer welke doelgroep in aanmerking komt voor een TTK (eerste lid) en waar die aanspraak op TTK uit bestaat (tweede lid). De tekst van de regeling laat, naar het oordeel van de Raad, ruimte voor een nadere invulling van de wijze van berekening van de TTK. De gemaakte afspraken over de berekening van de TTK, waaronder de keuze voor de peildatumsystematiek, betreffen een nadere uitwerking van de regeling. Het gaat hier bovendien om specifieke afspraken die zijn gemaakt door de partijen bij het Arbeidsvoorwaardenakkoord en dit akkoord vormt de grondslag van de in artikel V van het Verzamelbesluit vastgelegde regeling. Gelet op het voorgaande oordeelt de Raad dat de keuze voor de peildatumsystematiek niet in strijd is met de regeling.

De aangevoerde gronden worden verder opgevat als een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Het betoog komt erop neer dat de peildatumsystematiek op grond van een exceptieve toets (deels), buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel. Ook dit beroep slaagt niet.

Het is op zich juist dat aspiranten, die in de referteperiode worden aangesteld in een LFNP-functie op een datum die niet overeenkomt met een van de 13 peildata, nadeel kunnen ondervinden van de peildatumsystematiek. Het hanteren van de peildatum, behorende bij de betreffende BVCM-periode, waarbinnen die aanstellingsdatum valt, heeft tot gevolg dat de aanspraak op TTK berekend wordt vanaf de eerstvolgende peildatum/BVCM-periode. Appellanten 3 en 5 verzetten zich in feite alleen tegen het gebruik van deze ‘eerste’ peildatum, en niet tegen het gebruik van de opvolgende peildata. Of daadwerkelijk sprake is van een financiële benadeling als gevolg van de peildatumsystematiek, hangt af van de periode die zit tussen de datum van aanstelling en de eerstvolgende peildatum, én of in de betreffende BVCM-periode vergoedingen zijn genoten, die de grondslag vormen van de TTK. Dat aspiranten bij een overgang naar een LFNP-functie altijd benadeeld worden door toepassing van de peildatum, is dus niet juist.

Gelet op de gemaakte afspraken over de berekening van de TTK, is er door de partijen bij het arbeidsvoorwaardenakkoord bewust gekozen voor toepassing van de peildatumsystematiek. Dit is, zoals door de korpschef nader toegelicht ter zitting, mede ingegeven door doelmatigheidsredenen en komt de uitvoerbaarheid van de regeling ten goede. Bij de berekening is aangesloten bij het systeem dat uitgaat van de zogenaamde 13 BVCM-periodes en in het verlengde hiervan is gekozen voor 13 peildata. Zoals in overweging 4.18 al is geoordeeld, is dit navolgbaar omdat het BVCM-systeem wordt gebruikt voor de planning, het rooster en registratie van werktijden, en de vergoedingen waarop de TTK is gebaseerd, hiermee direct verband houden. Met de rechtbanken oordeelt de Raad dat de gekozen wijze van berekening geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is, gezien de omvang van de doelgroep die in aanmerking komt voor de TTK. De korpschef heeft voldoende gemotiveerd toegelicht dat een aanpassing in de berekeningswijze of extra berekeningshandelingen, ten aanzien van de aspiranten die bij een overgang mogelijk benadeeld zouden kunnen worden, voor uitvoeringsproblemen gaat zorgen en ook voor extra kosten gaat leiden, wat zou kunnen leiden tot een praktisch onuitvoerbare regeling. De keuze voor de peildatumsystematiek kan de (terughoudende) toetsing doorstaan. Er is daarom geen aanleiding om de peildatumsystematiek (deels) buiten toepassing te laten.

Voor zover appellanten 3 en 5 met hun beroep op het evenredigheidsbeginsel (ook) hebben betoogd dat toepassing van de peildatumsystematiek in het voorliggend geval onredelijk bezwarend is en in dit concrete geval buiten toepassing moet worden gelaten, slaagt dit betoog evenmin. De Raad oordeelt dat in de situatie van appellanten 3 en 5 geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de uitkomst van het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Appellanten 3 en 5 hebben weliswaar financieel nadeel geleden, maar het gaat hier om een relatief gering financieel nadeel. In het geval van appellant 3 gaat het om misgelopen TTK berekend over de periode van 1 tot en met 9 september 2022 van BVCM-periode 9. In het geval van appellant 5 gaat het om misgelopen TTK berekend over de periode 1 tot en met 15 juli 2022 van BVCM-periode 7. Uitgaande van de genoten vergoedingen in voormelde BVCM-periodes en een naar rato berekening zou het misgelopen bedrag aan TTK voor appellanten 3 en 5 neerkomen op respectievelijk ongeveer 100 euro en ongeveer 110 euro. De enkele omstandigheid dat enig financieel nadeel is geleden, is onvoldoende voor het oordeel dat toepassing van de peildatumsystematiek in het concrete geval onredelijk bezwarend is.

Conclusie en gevolgen

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraken worden bevestigd. Dit betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven.

5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgen appellanten geen vergoeding voor hun proceskosten. Ook krijgen zij het betaalde griffierecht niet terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas als voorzitter en Y. Sneevliet en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2025.

(getekend) H. Lagas

(getekend) M. Dafir

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 47c van de Politiewet 2012

1. (…)

2. Het bevoegd gezag maakt geen onderscheid tussen ambtenaren in de arbeidsvoorwaarden op grond van het al dan niet tijdelijk karakter van de aanstelling, tenzij een dergelijk onderscheid objectief gerechtvaardigd is.

(…)

Artikel V van het Verzamelbesluit rechtspositie politie 2023

1. In de jaren 2022, 2023 en 2024 wordt telkens een eenmalige uitkering uitbetaald aan ambtenaren die:

a. feitelijk en bij besluit vastgesteld, werkzaamheden verrichten behorende bij een LFNP-functie in het domein uitvoering, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Regeling vaststelling LFNP, waaraan ten hoogste salarisschaal 9 is verbonden,

b. (…)

2. De in het eerste lid bedoelde uitkering bedraagt de som van de brutobedragen aan toelagen en vergoedingen, genoemd in de artikelen 14, 27, achtste lid en 27b, van het Besluit bezoldiging politie, die zijn genoten in de periode van november van het voorgaande jaar tot en met oktober van het jaar van de uitbetaling, tot ten hoogste een totaalbedrag van

€ 2.500 bruto per uitkering.

3. (…)

4. De uitkering wordt in de maand december uitbetaald.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl ABkort 2026/6
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?