Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 juni 2024, 23/1436 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het College van Burgemeesters en Wethouders van de gemeente Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 24 november 2025
PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Awb van 15 april 2025 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
De Raad heeft het verzet behandeld op een zitting van 13 oktober 2025. Appellant is verschenen. Het college is met voorafgaand bericht niet verschenen.
OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 15 april 2025 berust op de overwegingen dat het hoger beroep niet tijdig is ingediend.
De laatste dag waarop tijdig een hogerberoepschrift kon worden ingediend was 29 juli 2024. Het hogerberoepschrift is op 25 september 2024 bij de Raad ontvangen. De termijn voor het indienen van hoger beroep is dus ruim overschreden.
In verzet voert appellant aan, voor zover hier van belang, dat er sprake is van ernstige schending van een goede procesorde en dat van een eerlijke en onafhankelijke behandeling niet kan worden gesproken. Appellant merkt daarbij op dat hij in verband met zijn verblijf in het buitenland, aan de rechtbank heeft geschreven dat hij in de periode van 1 juni 2024 tot 15 september 2024 afwezig was en heeft verzocht zijn zaak in deze periode niet op zitting te plannen. De rechtbank heeft een zitting bepaald op 30 mei 2024, de dag waarop appellant naar eigen zeggen vertrok naar Tunesiƫ. De uitnodiging voor de zitting heeft appellant niet bereikt. Vervolgens heeft de rechtbank de aangevallen uitspraak aangetekend naar appellant verzonden op 17 juni 2025. Omdat hij de aangetekende brief niet in ontvangst kon nemen, is de brief aan de rechtbank geretourneerd. De rechtbank heeft vervolgens de uitspraak per gewone post toegezonden op 9 juli 2024. Appellant heeft na terugkeer uit Tunesiƫ op 15 september 2024 een hogerberoepschrift opgesteld en dit op 25 september 2024 per e-mail aan de Raad toegezonden.
Appellant heeft desgevraagd op de zitting van 13 oktober 2025 toegelicht dat hij niemand het verzorgen van zijn post toevertrouwde. Wel kwam een buurman af en toe bij hem thuis en legde de post dan ongeopend op tafel. Appellant verwachtte tijdens zijn afwezigheid geen belangrijke post.
De Raad is van oordeel dat appellant in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat hij niet in verzuim is geweest. Dat appellant aan de rechtbank heeft geschreven dat hij in de periode van 1 juni 2024 tot 15 september 2024 afwezig was, maakt niet dat hem geen post kon worden toegezonden. Het was bij de rechtbank ook niet bekend dat appellant op 30 mei 2024, de dag van de zitting, al vertrokken was. Daarbij wordt er op gewezen dat die dag nog viel in de periode waarvan hij de rechtbank had laten weten dat hij dan beschikbaar was. Verder heeft appellant nagelaten om, gezien zijn lange periode van afwezigheid, bij de rechtbank te informeren of hij tijdens zijn afwezigheid post van de rechtbank kon verwachten en evenmin heeft hij maatregelen getroffen met betrekking tot het in ontvangst nemen van (aangetekende) post en de verzorging ervan. Dat hij dit niet heeft gedaan is een omstandigheid die voor zijn risico komt.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2025.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) J. Bonnema