Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 30 april 2024, 23/6590 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 26 november 2025
PROCESVERLOOP
In de uitspraak van 18 juni 2025 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet was betaald.
Namens appellante heeft mr. M.G. Evers, advocaat, verzet gedaan.
OVERWEGINGEN
In verzet is gebleken dat na verzending van de betalingsherinnering van 28 januari 2025 aan de gemachtigde van appellante bij aangetekende brief van 25 april 2025 nogmaals een betalingsherinnering is verzonden voor betaling van het griffierecht. Daarbij is meegedeeld dat het griffierecht binnen vier weken na de datum van de brief moet zijn betaald. Het griffierecht is op 16 mei 2025 door de Raad ontvangen. Dit is binnen de in de brief van 25 april 2025 gestelde termijn.
Dit betekent dat het verzet gegrond wordt verklaard, de uitspraak van de Raad van 18 juni 2025 vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in de verzetprocedure. De kosten worden begroot op € 453,50 (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift, met een waarde per punt van € 907,-).
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep:
Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree in tegenwoordigheid van J.A. Achterberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025.
(getekend) J.C. Boeree
(getekend) J.A. Achterberg